herhaling hoofdstuk 5.1 mutatiebalansen

Hoofdstuk 5
De financiële administratie van een eigen bedrijf 
par. 5.1 
1 / 16
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

This lesson contains 16 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Hoofdstuk 5
De financiële administratie van een eigen bedrijf 
par. 5.1 

Slide 1 - Slide

Hoe noemen we de rechterzijde van de balans ?
timer
0:30
A
Liquide middelen
B
Passiva/Credit
C
Debet
D
Activa

Slide 2 - Quiz

Waar horen debiteuren bij?
timer
0:30
A
Vaste activa
B
Eigen Vermogen
C
Liquide middelen
D
Vlottende activa

Slide 3 - Quiz

Welke stelling klopt niet ?
Een balans...
timer
0:30
A
is altijd in evenwicht
B
is een momentopname
C
heeft een debetzijde en een creditzijde
D
wordt altijd opgemaakt op 31 december

Slide 4 - Quiz

Wat is een debiteur ?
timer
0:30
A
Een klant waar we nog geld van krijgen
B
Een schuldeiser
C
Iemand aan wie we nog geld moeten betalen
D
Iemand die een lening heeft verstrekt

Slide 5 - Quiz

Wat staat er aan de debetzijde van de balans
timer
0:30
A
Het Eigen Vermogen
B
De schulden
C
De bezittingen
D
Crediteuren

Slide 6 - Quiz

Voorbeeld
Een bedrijf koopt voorraad voor €1.000,- en betaalt cash.





Verandering activa €0 en verandering passiva €0
 
 
 

Slide 7 - Slide

Voorbeeld
Een bedrijf koopt voorraad voor €1.000,-. Ze betaalt cash  €250,- en koopt de rest op rekening. 
 



Verandering activa +€750 en verandering passiva +€750
 
 

Slide 8 - Slide

Welke balansmutaties vinden er plaats?
Als:
De onderneming verkoopt goederen op rekening voor €14.200. De inkoopwaarde is €9.400.
A
Debiteuren +€14.200 Voorraad -€9.400 Eigenvermogen+€4.800
B
Debiteuren -€14.200 Voorraad -€9.400 Eigenvermogen+€4.800
C
Debiteuren +€14.200 Voorraad -€14.200
D
Debiteuren +14.200 Voorraad -€9.400 Eigenvermogen-€4.800

Slide 9 - Quiz

Hoe ziet dit eruit?
Verschil tussen verkoop en inkoop = brutowinst
Dit komt terecht in het eigen vermogen.

Slide 10 - Slide

Welke balansmutaties vinden er plaats?
Betaling per bank aan crediteuren €14.000.
A
Kas -€14.000 Crediteuren +€14.000
B
Kas -€14.000 Crediteuren -€14.000
C
Bank -€14.000 Crediteuren -€14.000
D
Bank -€14.000 Crediteuren +€14.000

Slide 11 - Quiz

Hoe ziet dit eruit?
Betaling dus bank daalt.
Crediteuren (schuld) daalt, want er wordt afgelost.

Slide 12 - Slide

Welke balansmutaties vinden er plaats?
Per kas gekocht goederen voor €1.400.
A
Voorraad -€1.400 Kas -€1.400
B
Voorraad +€1.400 Kas -€1.400
C
Voorraad -€1.400 Crediteuren -€1.400
D
Voorraad -€1.400 Crediteuren +€1.400

Slide 13 - Quiz

Hoe ziet dit eruit?
Betaling via kas, dus kas daalt.
Er wordt voorraad gekocht, dus voorraad stijgt. 

Slide 14 - Slide

Op de beginbalans staat de Kas op 1000 euro. Er wordt 2x een mutatiebalans gemaakt waarbij de Kas toeneemt met 500 euro per keer. Wat is het saldo van de Kas op de eindbalans?
A
0
B
1000 euro
C
2000 euro
D
kun je niet weten

Slide 15 - Quiz

samengevat
  • Mutatie -> verandering
  • mutatiebalans -> welke balansposten met welk bedrag veranderen
  • winst vergroot het eigen vermogen
  • kosten verlagen het eigen vermogen
  • De bedragen op de eindbalans vind je door de mutatiebalansen te verwerken vanuit de beginbalans

Slide 16 - Slide