This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.
Lesson duration is: 45 min
Report this lesson
Items in this lesson
Les 5.1 Bewegingen vastleggen
Slide 1 - Slide
Wie ben ik?
Indy van den Broek
NaSk/NaSk2/scheikunde docent
Slide 2 - Slide
Wat moet je meenemen naar deze lessen?
Boek: 1/2 mavo/havo nask
Etui met pennen
Rekenmachine
Opgeladen laptop
Een schrift: alle opdrachten ga je in je schrift maken
Slide 3 - Slide
Wetenschap
Er zijn 3 natuurwetenschappen:
Natuurkunde: gaat over niet-levende natuur. Zijn vaak tijdelijke veranderingen.
Scheikunde: gaat over niet-levende natuur. Zijn vaak blijvende veranderingen, er ontstaan nieuwe stoffen.
Biologie: gaat over levende natuur: planten, dieren en mensen.
Slide 4 - Slide
Planning
5.1 Bewegingen vastleggen
Maken opgaven
nakijken opgaven
Slide 5 - Slide
Leerdoelen 5.1
Je kunt uitleggen op welke twee manieren je een beweging kunt vastleggen.
Je kunt benoemen welke twee dingen je moet weten om uit een stroboscopische foto de gegevens voor een afstand-tijddiagram te halen.
Je kunt een afstand-tijdtabel invullen.
Je kunt een afstand-tijddiagram tekenen.
Je kunt een afstand-tijddiagram aflezen.
Slide 6 - Slide
Bewegingen vastleggen
Manier 1: beweging fotograferen met korte tussenpozes, die elk één moment van een beweging laten zien.
Manier 2: Stroboscopische foto: maakt van meerdere foto’s één foto. Tijd tussen de foto is steeds hetzelfde.
Stroboscooplamp: lamp die met regelmatige tussenpozen een korte flits geeft.
Slide 7 - Slide
Stroboscopische foto
Conclusie foto: je ziet dat de afstand tussen de ballen steeds groter is, dus je weet dat de bal steeds sneller naar beneden rolt.
Slide 8 - Slide
Slide 9 - Video
Je ziet een stroboscopische foto van een speelgoedeend die weg wordt gegooid. Op welk moment bewoog de speelgoedeend het langzaamst?
A
Toen hij beneden was
B
Toen hij boven was
C
Hij bewoog steeds even snel
Slide 10 - Quiz
Een skater springt van een schans. De tijd tussen twee opeenvolgende beelden is 0,15 s. Hoeveel tijd zit er tussen de eerste en de laatste opname?
A
0,75 s
B
0,90 s
C
1,05 s
D
1,20 s
Slide 11 - Quiz
Afstand-tijdtabel
Afstand-tijdtabel maken:
Bijvoorbeeld aan de hand van een stroboscopische foto. Je moet dan wel weten:
Hoeveel tijd er tussen de twee opeenvolgende lichtflitsen zit.
Hoe groot de afstanden op de foto in werkelijkheid zijn.
Slide 12 - Slide
Afstand-tijdtabel/diagram
Slide 13 - Slide
Een afstand-tijddiagram maken
Slide 14 - Slide
Een afstand-tijddiagram maken
Slide 15 - Slide
De afbeelding hiernaast is een afstand-tijd tabel.
A
Juist
B
Onjuist
Slide 16 - Quiz
Wat moet je altijd op de horizontale as zetten bij een afstand,tijd-diagram?
A
De afstand
B
De tijd
Slide 17 - Quiz
Wat moet je beslist weten van een stroboscopische foto om een afstand-tijd tabel te maken?
A
1,4
B
2,3
C
3,4
D
2,4
Slide 18 - Quiz
Maken 3 t/m 5, 6a, 7 en 8
(vanaf blz 11)
Slide 19 - Slide
3
a) 9x geflitst (want persoon is 9 keer te zien).
b) 9x geflitst, dus 8 ''tussenmomenten''. Ieder ''tussenmoment'' duurt 0,15 sec. Dus 8 x 0,15 = 1,20 s
Slide 20 - Slide
4
a) De beweging duurt 1,20 s (zie opdracht 3). Er zijn 1,20 : 0,05 = 24 tussenruimtes. De lamp moet dus 25 keer geflitst hebben.
b) De hoogspringer staat zo vaak op de foto dat je de afzonderlijke beelden niet goed meer kunt zien.
c) De stroboscoop zo instellen dat de tijdsduur tussen twee lichtflitsen groter is.
Slide 21 - Slide
5
a) Rechter foto
b) De foto is vaag, omdat daar de gehele beweging van het batje en het lichaam van de speler op staat.
c) Linker foto
d) De bewegingen zijn alleen vastgelegd op die momenten waarop de lamp een lichtflits gaf.
Slide 22 - Slide
6
a) De hand staat drie keer op de foto. Er zijn dus twee ''tussenmomenten''. De tijd tussen twee flitsen (een tussenpoos) is 1s : 4= 0,25 s. Twee tussenpozen duren dan 2 × 0,25 = 0,5 s.
Slide 23 - Slide
7
Dertien wagentjes = dertien keer flitsen.
Bij dertien flitsen zijn twaalf ‘tussenruimtes’ aanwezig.
Eén tussenruimte duurt 0,18 s.
Twaalf tussenruimtes duren dus: 12 × 0,18 = 2,16 s.
Slide 24 - Slide
8
a) Vlak voordat het balletje bij A en B de ondergrond raakt: de afstand tussen de beelden is hier het grootst.
b) Als het balletje zijn hoogste punt heeft bereikt: de afstand tussen de beelden is daar het kleinst.
c) Vanaf punt A tot en met punt B is het balletje 16 keer gefotografeerd. Er zijn dus vijftien ‘tussenruimtes’. Eén tussenruimte duurt 0,04 s. Vijftien tussenruimtes duren dus: 15 × 0,04 s = 0,60 s.