5. El verbo gustar

¡Hola!
1 / 11
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 11 slides, with text slides.

Items in this lesson

¡Hola!

Slide 1 - Slide

¿Qué vamos a hacer?
  • Het huiswerk bespreken

  • Gustar 

  • Los deberes 
Lesdoel: "Aan het eind van deze les kan ik het werkwoord gustar toepassen".

Slide 2 - Slide

Het huiswerk bespreken

Maken:
2.5 en 2.6 uit je werkboek (LE) pagina 12

Leren
woordenschat 1.6 + 1.7 je mening geven en reageren.
Lunes el catorce de diciembre, séptima (7e)

Slide 3 - Slide

la
las fotos
los institutos
el
el
el
el
el
el
el
el
el
la
la
la
la
la
Ojee... uitzonderingen
- el mapa, el día, el problema
- la foto

Foto is vrouwelijk omdat het van het woordje fotografía afkomstig is.

Woorden die eindigen op z worden in het meervoud -ces
las músicas
los parques
las casas
los bolígrafos
los mapas
los días
las niñas
las carpetas
los problemas
los carteles
los lápices
las pizarras
los profesores 
eindigt het op een klinker? +S
eindigt het op een medeklinker? +ES

Slide 4 - Slide

El verbo 
Gustar

Slide 5 - Slide

Gustar betekent = leuk vinden of houden van.
Hoewel het een werkwoord is op -AR, is het anders dan de andere werkwoorden!

El verbo gustar
GUSTA
GUSTAN
en
Wat je leuk vindt is:
  • Enkelvoud
  • Werkwoord(en)
Wat je leuk vindt is:
  • Meervoud
Voorbeelden:
Me gusta el gato.
Ik vind de kat leuk.

Me gustan los perros
Ik vind de honden leuk

Me gusta hablar español 
Ik vind Spaans spreken leuk.




Meestal gebruik je alleen:

Slide 6 - Slide

Het Spaanse werkwoord gustar is nooit alleen. Het werkwoord gustar geeft aan wat je leukt vindt. En daar voor komt altijd een meewerkend voorwerp, die geeft aan wie iets leuk vindt. 

Let op je gebruikt altijd een lidwoord (el/la/los/las), in het Nederlands doe je dat niet altijd.
Voorbeeld: Me gustan las pizzas > Ik hou van pizzas. 

Ik-vorm (yo) =    me gusta ...         +           me gustan ...
Jij-vorm (tú) =    te gusta ...           +            te gustan ...


El verbo gustar
Me gustan las patatas fritas.
¿Te gustan las patatas fritas?
VOORBEELD:
Ik hou van frietjes.
Hou jij van frietjes?

Slide 7 - Slide

¡A trabajar!
Ontkenning:
No betekent zowel nee als niet!
Soms noteer je het woord dus 2x achter elkaar. 
Plaats:
Het komt er altijd voor te staan.
Kijk maar naar het voorbeeld.
A. Vul in gusta of gustan
1. Me _____________________ las hamburguesas.
2. ¿Te ______________________ estudiar español?
3. Me ______________________ el fútbol.
4. ¿Te ______________________ bailar?
5. Me _______________________ los libros de Harry Potter.


B. Geef antwoord:
voorbeeld: ¿Te gusta el español? – Sí, me gusta el español of No, no me gusta el español
                       Vind je Spaans leuk? - Ja, ik vind Spaans leuk of Nee, ik vind Spaans niet leuk. 
1. ¿Te gustan los perros?
2. ¿Te gusta ver Netflix?
3. ¿Te gusta hablar español?
4. ¿Te gusta leer?
5. ¿Te gusta la música clásica?
6. ¿Te gustan los gatos?

Slide 8 - Slide

Maak nu opdracht 1.10 
uit je module

Je beantwoordt de vragen in je Spaanse schrift.

Slide 9 - Slide

Los deberes
Repasar todo el vocabulario
Herhaal alle woordenschat!
Miércoles el dieciséis de diciembre, segunda hora 
Lunes el once de enero, séptima hora
Schriftelijke overhoring
Heel tarea 1

Slide 10 - Slide

Tips
  1. Verdeel je leerstof in stukken.
  2. Leer niet te lang
    (meerdere keren kort leren werkt beter dan heel lang leren!)
  3. Herhalen, herhalen, herhalen
  4. Zorg voor afwisseling
    (samenvatting maken, Quizlet, schrijven, overhoren etc.)
  5. Meer tips nodig? Bekijk pagina 10 van je module.

Slide 11 - Slide