Spelling 5.5 - 1 kgt

Spelling 5.5 - 1 kgt
1 / 18
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo k, gLeerjaar 1

This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Spelling 5.5 - 1 kgt

Slide 1 - Slide

Lesplanning
- Uitleg theorie 5.5 + oefeningen
- Maak opdrachten van 5.5

Lesdoel:
- Je weet wat voltooid deelwoorden zijn en hoe je die moet schrijven.

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

In welke zin staat een voltooid deelwoord?

1. Hij verhuist naar Amsterdam.
2. Hij is naar Amsterdam verhuisd.
A
zin 1
B
zin 2

Slide 4 - Quiz

In deze zin staat een voltooid deelwoord.

Dat gebeurt bijna nooit.
A
waar
B
niet waar

Slide 5 - Quiz

In deze zin staat een voltooid deelwoord.

De dokter heeft de wond op mijn been gehecht.
A
waar
B
niet waar

Slide 6 - Quiz

In deze zin staat een voltooid deelwoord.

Ik herinner me dat echt niet.
A
waar
B
niet waar

Slide 7 - Quiz

Sterke en zwakke werkwoorden
Sterke werkwoord
verandert in de verleden tijd van klank 
 smelten - smolten

Zwakke werkwoord 
verandert in de verleden tijd niet van klank, 
maar je schrijft dan -de(n) of -te(n) achter de ik-vorm
maken - maakten

Slide 8 - Slide

Wat is een sterk werkwoord?
A
schilderen
B
roepen

Slide 9 - Quiz

Wat is een sterk werkwoord?
A
vragen
B
darten

Slide 10 - Quiz

Voltooid deelwoord van sterke werkwoorden
Het voltooid deelwoord van sterke werkwoorden eindigt
op -en of -n

Hij heeft zijn huiswerk niet gedaan.
Zij hebben op hun saxofoons geblazen

Slide 11 - Slide

Voltooid deelwoord van zwakke werkwoorden
Het voltooid deelwoord van zwakke werkwoorden eindigt op -d of -t. 
-> Als je het woord langer maakt, hoor je welke letter het moet zijn. 

- Ik heb een voldoende voor Nederlands gehaald.
--> de gehaalde voldoende

- Zij heeft het cadeau ingepakt
--> het ingepakte cadeau

Slide 12 - Slide

Voltooid deelwoord zwakke werkwoorden
 eindigt op -t of -d

eindigt de stam van het werkwoord op een medeklinker uit 
'T eX-KoFSCHiP ?
JA? --> eindigt op -t
NEE? --> eindigt op -d

geloven: Zij hebben hem nooit geloofd.
raken: Hij heeft de bal niet geraakt.

Slide 13 - Slide

Hoe schrijf je het voltooid deelwoord van verhuizen?
A
verhuist
B
verhuisd

Slide 14 - Quiz

Hoe schrijf je het voltooid deelwoord van bepalen?
A
bepaalt
B
bepaald

Slide 15 - Quiz

Hoe schrijf je het voltooid deelwoord van remmen?
A
geremd
B
geremt

Slide 16 - Quiz

Hoe schrijf je het voltooid deelwoord van schoppen?
A
geschopd
B
geschopt

Slide 17 - Quiz

Aan het werk
- Lees de theorie over 'voltooid deelwoord' (blz. 198)
Maak van 5.5, opdr. 2, 3 en 4 (blz. 198)
= huiswerk maandag.

- Klaar? --> laat je opdrachten aan mij zien en ga lezen

Lesdoel:
- Je weet wat voltooid deelwoorden zijn en hoe je die moet schrijven.

Slide 18 - Slide