22/03/2023 Spelling H4 les 2

1 / 23
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

10 minuten stil lezen uit je leesboek

Doe je telefoon in de telefoontas
Leg al je boeken op tafel
Ga rustig op je plaats zitten
Leg je huiswerk op de hoek van je tafel (opdracht 3, 5 en 6 op bladzijde 68-69)


Slide 2 - Slide

Spelling H4 les 2

Slide 3 - Slide

Wat gaan we doen vandaag?
- Huiswerk bespreken
- Uitleg theorie
- Oefenen
- Werken aan de opdrachten

Aan het einde van deze les kun je voltooid deelwoorden en verkleinwoorden correct spellen.

Slide 4 - Slide

Huiswerk bespreken
Opdracht 3, 5 en 6 op bladzijde 68-69

Slide 5 - Slide

Uitleg theorie 

Slide 6 - Slide

Verkleinwoorden
Verkleinwoorden zijn zelfstandige naamwoorden die aangeven dat iets kleiner is dan het origineel, bijvoorbeeld 'huisje', 'boekje' en 'beertje'.

  • In de meeste gevallen doe je dit door -je of -tje achter het woord te zetten. 
  • In andere gevallen gebruik je -pje of -kje
    boom - boompje, woning - woninkje 

Slide 7 - Slide

Verkleinwoorden
  • Lange klinker a, o of u die je met één letter schrijft, krijgt een extra klinker  
  • opa - opaatje, auto - autootje, paraplu - parapluutje 

  • Woord dat eindigt op y gebruik je -'tje 
  • baby - baby'tje, hobby - hobby'tje 
  • Uitzondering: cowboy - cowboytje -> er staat een klinker voor -y 

Slide 8 - Slide

Verkleinwoorden
  • Als een woord uit één lettergreep bestaat, een korte klank bevat én op een r eindigt, wordt ook -etje toegevoegd.
  • bar - barretje, por - porretje, ster - sterretje

  • Sommige verkleinwoorden wijken af van de regels
  • tekening - tekeningetje, blad - blaadje, bril - brilletje 

  • Bij verkleinwoorden is het lidwoord altijd het 

Slide 9 - Slide

Voltooid deelwoord 
  • Nooit enige werkwoord in de zin 
  • Hebben, zijn of worden
  • Staat vaak achteraan


  • De finale is zojuist begonnen.
  • De laatste minuut wordt gespeeld.
  • We hebben de wedstrijd gewonnen. 

Slide 10 - Slide

Voltooid deelwoord 
Het voltooid deelwoord begint vaak met -ge: gelopen, gereden, gezwommen

Infinitief met ge-, be-, ver-, ont-, er- of her- 
  • gebeuren - is gebeurd 
  • bedanken - heeft bedankt
  • vertellen - heeft verteld 
  • ontwerpen - is ontworpen 
  • erkennen - wordt erkend 
  • herhalen - is herhaald 


Slide 11 - Slide

Voltooid deelwoord 
Zwakke werkwoorden eindigen op -t of -d

  • 'T KoFSCHiP X 
  • Laatste letter van stam in 'T KoFSCHiP X? Dan een -t op het eind. 
    Zit het er niet in? Dan een -d op het eind. 

  • fietsen - fietste - is gefietst 
  • verhuren - verhuurde- wordt verhuurd 



Slide 12 - Slide

Voltooid deelwoorden
Voltooid deelwoorden van sterke werkwoorden eindigen meestal op -(e)n

  • slapen - heeft geslapen 
  • zwemmen - heeft gezwommen 
  • staan - heeft gestaan 

Slide 13 - Slide

Voltooid deelwoorden
Verschil tussen persoonsvorm en voltooid deelwoord:

  • De leerling herinnert zich alles. - De leerling heeft zich alles herinnerd. 
  • Er gebeurt een hoop in de tweede helft. - Er is een hoop gebeurd in de tweede helft. 
  • Mark vertelt een lang verhaal. - Mark heeft een lang verhaal verteld.

Slide 14 - Slide

Oefenen

Slide 15 - Slide

verhuizen

Slide 16 - Open question

verdienen

Slide 17 - Open question

overmaken

Slide 18 - Open question

ketting

Slide 19 - Open question

straat

Slide 20 - Open question

storm

Slide 21 - Open question

Werken aan de opdracht
Wat? Maak opdracht 7, 8 en 9 op bladzijde 70
Hoe? Eerste vijf minuten zelfstandig, daarna mag je overleggen 
Tijd? Je hebt tot het einde van de les, het is huiswerk voor 29/03/23 
Vragen? Steek na vijf minuten je hand op en ik kom bij je langs
Klaar? Lees verder uit je leesboek of maak ander huiswerk. 


timer
10:00

Slide 22 - Slide

Huiswerk

Voor volgende week woensdag 22/03/23 moet opdracht 7, 8 en 9 op bladzijde 70 af zijn.

Schrijf dit op in je plenda!

Slide 23 - Slide