Leçon 5 - 3H - Chapitre 2

1 / 17
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Programme d'aujourd'hui 
  • Parler
  • Grammaire
  • Exercices 15,16,17 et 18 pages 68 à 71
  • Apprends le vocabulaire A et B

Slide 2 - Slide

Les objectifs de la leçon 
Aan het eind van deze les kun je: 
- Kun je vertellen over jouw vrije tijd
- Kun je de à en de + een bepaald lidwoord gebruiken. 

 

Slide 3 - Slide

Parlez (regarde p. 88)
Élève 1
Élève 2
Vraag wat hij / zij doet in het weekend.
Geef een antwoord en vraag "en jij". 
Geef een antwoord. Vraag dan wat hij / zij daarna doet. 
Geef een antwoord
Vraag wat hij / zij nog meer doet.
Geef een antwoord
Vraag wat zijn / haar lievelingsserie is. 
Geef een antwoord. 
Attention Élève 2! Gebruik jouw eigen woorden!
timer
1:00

Slide 4 - Slide

Grammaire

Slide 5 - Slide

Je vais à le parking > Je vais au parking.
Tu es à la cantine > Tu es à la cantine.
Vous allez à les matchs > Vous allez aux matchs?
Elle est à l'école > Elle est à l'école
Wat zie je?



Slide 6 - Mind map

Wat is de vertaling van "à la" en "au" hier?

Je suis à la piscine, / Je suis au cinéma.
A
naar
B
in
C
op
D
bij

Slide 7 - Quiz

À + bepaald lidwoord
Als het Franse voorzetsel à (in, naar, op, bij) in een zin wordt gevolgd door le of les, dan wordt het samengevoegd tot één woord
à + le > au (Je suis au club de foot)
à + les > aux (Il va aux matchs)

Slide 8 - Slide

À + bepaald lidwoord
Als het wordt gevolgd door la of l' dan blijft het à la of à l'
à + la = à + la (Je vais à la mer)
à l' = à l' (On est à l'école)

Of je à la, au, à l' of aux gebruikt, hangt het dus af van het woordt dat erachter komt. Is het mannelijk? Is het vrouwelijk? Enkervoud of meervoud? 

Slide 9 - Slide

Je suis ... équition (v)
A
aux
B
à la
C
au
D
à l'

Slide 10 - Quiz

Nous allons ... concert (m)
A
aux
B
à la
C
au
D
à l'

Slide 11 - Quiz

Tu veux aller ... patinoire (v)
A
aux
B
à la
C
au
D
à l'

Slide 12 - Quiz

On va ... centres (m) commerciaux
A
aux
B
à la
C
au
D
à l'

Slide 13 - Quiz

C'est le T-shirt de le prof > C'est le T-shirt du prof
C'est le chien de la voisine > C'est le chien de la voisine
C'est le directeur de l'école > c'est le directeur de l'école
C'est l'ordinateur de les secrétaires > C'est l'ordinateur des secrétaires. 

Wat zie je?



Slide 14 - Mind map

Wat is de vertaling van "de" hier?

C'est le sac de la directrice.
A
naar
B
van
C
op

Slide 15 - Quiz

À + bepaald lidwoord
Als het Franse voorzetsel de (van) in een zin wordt gevolgd door le of les, dan wordt het samengevoegd tot één woord
de le > du (C'est l'entrée du collège)
de + les > des (C'est le chien des voisins)

Slide 16 - Slide

À + bepaald lidwoord
Als het wordt gevolgd door la of l' dan blijft het de la of de l'
de + la = de + la (C'est la robe de la fille)
de + l' = de l' (C'est le jeu de l'enfant)

Of je de la, du, de l' of des gebruikt, hangt het dus af van het woordt dat erachter komt. Is het mannelijk? Is het vrouwelijk? Enkervoud of meervoud? 

Slide 17 - Slide