Les 5 : irritaties

Les 4 Irritaties

1 / 30
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNT2Hoger onderwijs

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Les 4 Irritaties

Huiswerk

Tegen volgende week graag LINK+ thema 15.4 helemaal afwerken


Ook de grammatica aub

1.Wat vind je vervelend aan de plek waar je nu woont?


2.Wat vind je vervelend aan met de treinauto, fiets …) naar je werk gaan?


3; Denk je dat jij gewoontes hebt die andere mensen vervelend vinden?


4. Vind je het vervelend als mensen in het openbaar zoenen?


5.Word je boos als iemand voordringt in de rij?


6Welke technologische producten vind je vervelend? (mobiele telefoons on nog iets anders?)


7.Welke vervelende gewoontes heeft je beste vriend of vriendin?


8 Vind je roken vervelend of irritant?


9 Word je boos als mensen zich slecht gedragen? Kun je voorbeelden geven?


10. Maak jij andere mensen soms boos door jouw gewoontes?



11. Wat doe je als iets je erg stoort?


12. Hoe kun je vervelende gewoontes veranderen?


13. Wat doen automobilisten dat jij vervelend vindt?


14. Wat doen kinderen dat volwassenen vervelend vinden?


15. Wat is jouw grootste ergernis?

16. Vind je het vervelend als mensen spelfouten maken in een mail of een tekst?


17. Wie is de meest vervelende persoon die je kent? Waarom?


18. Hoe zeg je tegen iemand dat hij of zij vervelend is?


19. Denk je dat andere mensen jou vervelend vinden? Waarom?


20. Wie is de meest vervelende beroemdheid? Waarom?


21. Vind je het vervelend als mensen jouw taal niet spreken of niet willen spreken?

Extra 1

Gewone zin


Ik ga naar school





  1. Ik =onderwerp

  2. ga=werkwoord

  3. naar school=rest

Zin met inversie (=omkering)

Morgen ga ik naar school







1. Morgen

2. ga=werkwoord

3. ik=onderwerp

4. naar school=rest


Vraagzin : begint met werkwoord


Ga ik morgen naar school?

Vraagzin die begint met vraagwoord



Wanneer ga ik naar school?

Zinnen met twee werkwoorden



Ik wil morgen naar school gaan.

1.tijd - 2.manier - 3.plaats




Ik ga morgen (=tijd) met de fiets (=manier) naar school (=plaats).

Tijd middel plaats


-

Te M Po

Nu jij!


Zet in de goede volgorde: heb – drie weken geleden – Ik – gekocht – een paar schoenen

Zet in de goede volgorde: teruggegaan – naar de winkel – de volgende dag – Ik – ben

Zet in de goede volgorde: nu – Ik – moet – lopen – met – twee verschillende schoenen

Zet in de goede volgorde: nu – Ik – moet – lopen – met – twee verschillende schoenen

Zet de zin in de juiste volgorde Er zijn twee mogelijkheden! ik- bijhouden- dit tempo-niet-kan

A

Ik kan niet bijhouden dit tempo.

B

Dit tempo kan ik bijhouden niet.

C

Dit tempo kan ik niet bijhouden.

D

Ik kan dit tempo niet bijhouden.

Zet de zin in de juiste volgorde, denk aan de vervoeging. Het is een vraagzin. nadenken - je - over de vraag - wel- heb - goed- ?

A

Heb je over de vraag wel goed nagedacht?

B

Heb je over de vraag wel goed nagedenkt?

C

Heb je wel goed nagedacht over de vraag?

D

Heb je goed wel nagedenkt over de vraag?

Wat is de juiste woordvolgorde?

A

Tijd, manier, plaats

B

Tijd, plaats, manier

C

Plaats, tijd, manier

D

Plaats, manier, tijd

___________ mogen we niet praten in de les? Omdat je dan niet goed kunt opletten.

A

Waar

B

Wanneer

C

Waarom

D

Omdat

Zet de woorden in de juiste volgorde (vraagzin) ?- gemaakt- zij - geen huiswerk - waarom - heeft

A

Waarom zij heeft geen huiswerk gemaakt?

B

Zij heeft geen huiswerk gemaakt waarom?

C

Waarom heeft zij geen huiswerk gemaakt?

D

Waarom zij geen huiswerk heeft gemaakt?

Zet de woorden in de juiste volgorde: geweest- Achmed en Fatima- drie weken-naar Spanje- met vakantie-zijn

A

Drie weken Achmed en Fatima zijn met vakantie geweest naar Spanje.

B

Achmed en Fatima zijn drie weken met vakantie geweest naar Spanje.

C

Achmed en Fatima zijn naar Spanje geweest drie weken met vakantie.

D

Achmed en Fatima zijn drie weken met vakantie naar Spanje geweest.

Zet de woorden in de juiste volgorde Er zijn twee antwoorden goed! zijn- bij de dokter-om elf uur-ik- moet

A

Om elf uur ik moet zijn bij de dokter.

B

Om elf uur moet ik bij de dokter zijn.

C

Ik moet zijn om elf uur bij de dokter.

D

Ik moet om elf uur bij de dokter zijn.

Zet de woorden in de juiste volgorde (vraagzin) in Amsterdam-wel eens-je-geweest-ben-?

A

Ben je wel eens in Amsterdam geweest?

B

Ben je wel eens geweest in Amsterdam?

C

Ben je in Amsterdam geweest wel eens?

D

In Amsterdam ben je wel eens geweest?

Zet de woorden in de juiste volgorde stil-de voetbalwedstrijd- vanwege-is- op straat- het

A

Op straat vanwege de voetbalwedstrijd het is stil.

B

Het is stil op straat vanwege de voetbalwedstrijd.

C

Vanwege de voetbalwedstrijd is het op straat stil.

D

Op straat het is stil vanwege de voetbalwedstrijd.

Zet de woorden in de juiste volgorde Het is een vraagzin. herhalen-ik-waarom-elke keer-moet-dat-?

A

Ik moet dat elke keer herhalen waarom?

B

Waarom moet ik herhalen elke keer dat?

C

Waarom ik moet dat elke keer herhalen?

D

Waarom moet ik dat elke keer herhalen ?