Clase 1 - Hoe overleef ik mijn vakantie

Clase 1 - Hoe overleef ik mijn vakantie
Q-Highschool Spaans
Basismodule

Clase 1
el 3 de abril 2023
1 / 28
next
Slide 1: Slide
SpaansSecondary Education

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Clase 1 - Hoe overleef ik mijn vakantie
Q-Highschool Spaans
Basismodule

Clase 1
el 3 de abril 2023

Slide 1 - Slide

Programa de hoy
  • Kennismaken
  • Uitleg module
  • Vocabulario
  • Vemos un video
  • Regelmatige werkwoorden
  • Het werkwoord ir-  gaan

Slide 2 - Slide

Wat hoop je deze module te leren?

Slide 3 - Open question

Na deze module kun je...
- Vertellen over je vakantiestemming
- Vertellen wat je meeneemt op vakantie
- Telefonisch informatie vragen aan een hotel
- Een excursie opzoeken en activiteiten plannen
- Praten over het weer
- Klokkijken
- Hulp vragen in het Spaans

Slide 4 - Slide

Hoe pak je dat aan?
Houd zelf een woordenlijst bij & leer de woordjes

Geef duidelijk aan wat je nodig hebt

Slide 5 - Slide

Waar werken we naar toe deze module?
De opdracht
Maak een folder of brochure voor een rondreis door een plek naar jouw keuze. De rondreis moet minimaal een week duren, maar langer mag ook. Je mag zelf kiezen wat voor soort reis je aanbiedt en wie de doelgroep is. Verwerk in ieder geval de volgende punten:
- Welke plekken bezoeken de reizigers? Geef een korte introductie over het land/de regio.
- Hoe komen ze daar (met welke vervoersmiddelen)?
- Wanneer is de reis?
- Wat kost het?
- Welke spullen moeten de reizigers zeker meenemen?
- Wat voor weer is het daar op het moment dat de reis plaatsvindt?
- Welke activiteiten zijn er inbegrepen?
- Wat zijn de highlights van de reis? (denk aan bezienswaardigheden)
Natuurlijk mag je nog allerlei andere punten toevoegen. Heb je hele creatieve ideeën wat betreft de inhoud of vormgeving? In overleg met de docent is er heel veel mogelijk!


Slide 6 - Slide

Wat weet je al?

Slide 7 - Mind map

estación
fábrica
aeropuerto
estadio
supermercado
farmacia
universidad
mercado
catedral

Slide 8 - Drag question

Lista de vacaciones:
  1. Tandpasta
  2. Bankpas
  3. Paraguas 
  4. Mochila

Verzin zelf nog ongeveer 15 woorden die je mee wilt nemen op vakantie, mag in het Nederlands of in het Spaans.

Slide 9 - Slide

Regelmatige werkwoorden

Slide 10 - Slide

Yo ... en una tienda (trabajar)
A
trabajas
B
trabajes
C
trabaje
D
trabajo

Slide 11 - Quiz

Nosotros .. matemáticas (comprender)
A
Comprendamos
B
Comprendéis
C
Comprendemos
D
Comprenden

Slide 12 - Quiz

Ellos ... la coche (subir)
A
Subin
B
Suben
C
Suban
D
Subimos

Slide 13 - Quiz

El verbo "IR"

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

Vul de juiste vorm van het werkwoord IR in
1. Yo _____ al cine con Felipe
2. Tú _____ a la escuela a las ocho de la mañana.
3. Los amigos _____ a la piscina para nadar.
4. La profesora _____ a la escuela para trabajar.
5. El chico ____________ a un partido de fútbol con su padre.

Slide 16 - Slide

Aan de slag
Verzin 3 zinnen met de vervoegingen van het werkwoord ir, die betrekking hebben met op vakantie gaan.

5 minuten
timer
5:00

Slide 17 - Slide

Vamos a ver un video
Maak aantekeningen!
Jullie krijgen 10 minuten, zo kan je de video 2 keer bekijken!

¿Adónde van los españoles en verano?
¿Dónde puedes hacer surf?
Waarom zijn de canarische eilanden zo populair?
Waarom overnachten veel mensen liever in een appartement dan in een hotel?

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Video

¿Adónde van los españoles en verano?

Slide 20 - Open question

¿Dónde puedes hacer surf?
A
en el norte
B
en el este
C
en el surf
D
en el oeste

Slide 21 - Quiz

Waarom zijn de Canarische eilanden populair?
A
Ze hebben de mooiste stranden
B
Er is veel te zien
C
Het is altijd warm en je kunt er duiken
D
Het is een goedkopen bestemming

Slide 22 - Quiz

Waarom overnachten veel mensen liever in een appartement dan in een hotel?

Slide 23 - Open question

Plannen voor de volgende les
Over het weer praten
De jaargetijden
Zoeken we een excursie op
Leren wij klok kijken

De volgende les is op 17 april.

Slide 24 - Slide

Hasta la próxima

Slide 25 - Slide

Los deberes - practicar con el verbo SER
1. Mi amigo Pedro y yo _________________de Madrid.
2, La ciudad ________________________muy bonita.
3, Yo_________________________ bajo y gordo.
4, Mi amigo ___________________ alto y delgado.
5, (nosotros) ___________________estudiantes.
6, Mis padres __________________ingenieros.
7, Teresa ________________________muy inteligente.
8, ¿Tú__________________________ Luisa?
9, No, no (yo)_____________ Luisa, soy Teresa.
10, Los chicos ______________________mis amigos.

Slide 26 - Slide

Schrijf...  (verbo tener)
1 .hoe oud je bent. 
2. of je broers en zussen hebt en hoeveel. (hermanos/hermanas)
3. of je een cat of een hond hebt. 
4. of je vrienden in Spanje hebt. 
5. of je een partner hebt (pareja)
6.of je kinderen hebt (hijos)
7. of je een auto hebt. (coche)
8. of je op dit moment het koud hebt. (frío)

Slide 27 - Slide

Terugblik 
Hoe zeg je waar je vandaan komt?
Hoe vraag je waar Ana vandaan komt?
Vertel dat je  een student bent. 

Slide 28 - Slide