Les 8 - Het bijwoord

Het bijwoord

Nederlands 2A • Les 8

snel?

heel?

nu?

1 / 32
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsSecundair onderwijsA-stroomLeerjaar 2

This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes and text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

Het bijwoord

Nederlands 2A • Les 8

snel?

heel?

nu?

Wat zul je leren?

1

Je leert een bijwoord herkennen en onderscheiden van een bijvoeglijk naamwoord.

2

Je leert waar een bijwoord meer over vertelt.

3

Je leert bijwoorden gebruiken om in een tekst meer informatie te geven.

2

Les 1: Wat is een bijwoord?

Waarover vertelt het iets meer? Bijwoord of bijvoeglijk naamwoord?

Herhaling: het telwoord

Voor de zoveelste keer is mijn pen leeg.

A

bepaald hoofdtelwoord

B

onbepaald hoofdtelwoord

C

onbepaald rangtelwoord

D

geen telwoord

4

Voor de zoveelste keer is mijn pen leeg.

Herhalingsvraag

telwoord

A

bepaald hoofdtelwoord

B

onbepaald hoofdtelwoord

C

bepaald rangtelwoord

D

onbepaald rangtelwoord

Hoe verloopt jouw ochtend?

1

meteen

2

traag

3

heel moeilijk

Ik sta … op.

Welke zin vertelt je meer?

A

Ik sta op.

B

Ik sta traag op.

‘traag’ zegt iets over het werkwoord ‘sta op’: HOE sta je op?

Welke zin vertelt je meer? Welk woordje maakt het verschil?

6

Dit is een bijwoord!

Een woord dat iets meer vertelt over een werkwoord (hoe? wanneer? hoe vaak?) heet een BIJWOORD.

traag

→ zegt iets over ‘sta op’

hoe?

altijd

→ zegt iets over ‘eet’

hoe vaak?

vroeg

→ zegt iets over ‘kom aan’

wanneer?

Ezelsbrug: een BIJ-woord staat BIJ een ander woord en vertelt daar iets meer over.

7

Wat is een bijwoord?

werkwoord

Geert herstelde de ketting snel.

bijv. naamwoord

Zijn kleding is erg ouderwets.

ander bijwoord

De dief keek ijzig kalm.

telwoord

Hij werkte er bijna twee uur aan.

hele zin

Helaas kwam hij niet opdagen.

Een bijwoord krijgt nooit een -e!

8

Bijwoord of bijvoeglijk naamwoord?

BIJVOEGLIJK NAAMWOORD

zegt iets over een zelfstandig naamwoord

een snelle auto

BIJWOORD

zegt iets over een werkwoord, bijv. nw., bijwoord, telwoord of hele zin

de auto rijdt snel

Stap 1: zoek het woord waarover het iets zegt. Stap 2: zelfstandig naamwoord? → bn. Iets anders? → bw.

9

Wat is ‘verschrikkelijk’ in deze zin?

Quizvraag

Het was een verschrikkelijk saaie film.

A

bijvoeglijk naamwoord

B

bijwoord

10

Het was een verschrikkelijk saaie film.

A

bijvoeglijk naamwoord

B

bijwoord

Het blijft een moeilijke discussie.


A

bijwoord

B

bijvoeglijk naamwoord

Mijn opa heeft een oud huis.


A

bijwoord

B

bijvoeglijk naamwoord

De soep is koud.


A

bijwoord

B

bijvoeglijk naamwoord

Die toets was heel gemakkelijk.


A

bijwoord

B

bijvoeglijk naamwoord

Sleep: bn of bw?

Sleepvraag

een mooie jurk

ze zingt mooi

erg leuk

de saaie film

rijdt voorzichtig

een nieuwe gsm

een snelle fiets

fietst snel

bijvoeglijk naamwoord

bijwoord

11

Sleep: bn of bw?

bijvoeglijk naamwoord

bijwoord



een mooie jurk

ze zingt mooi

fietst snel

rijdt voorzichtig

erg leuk

een nieuwe gsm

een snelle fiets

de saaie film

Aan de slag!

Boek

Opdracht 1 tot en met 5

p. 61–63

12

Les 2: Soorten bijwoorden

Tijd, plaats, graad en vragend

We kregen een lekkere taart.


Herhalingsvraag

A

bijwoord

B

bijvoeglijk naamwoord

Herhaling: bn of bw?

We kregen een lekkere taart.

A

bijvoeglijk naamwoord

B

bijwoord

14

Zet deze zin op steroïden!

Open vraag


Voeg zoveel mogelijk bijwoorden toe. Wanneer? Waar? Hoe? In welke mate?

15

De hond blaft.

Voeg zoveel mogelijk bijwoorden toe. Wanneer? Waar? Hoe? In welke mate?

Vier soorten bijwoorden

T

Tijd

Wanneer?

nu, later, straks, gisteren, vaak, altijd

P

Plaats

Waar?

hier, daar, ergens, overal, buiten

G

Graad

In welke mate?

zeer, erg, heel, nogal, bijna, te

V

Vragend

Begint een vraag

waar, wanneer, waarom, hoe

16

Vragend bw of vragend vnw?

VRAGEND VOORNAAMWOORD

vraagt naar een persoon, zaak of dier

wie • wat • welk(e) • wiens

VRAGEND BIJWOORD

vraagt naar een plaats, tijd, reden of manier

waar • wanneer • waarom • hoe

17

Ik heb mijn sleutels ergens verloren.

A

bijwoord van tijd

B

bijwoord van graad

C

bijwoord van plaats

D

vragend bijwoord

We gaan morgen naar de cinema.

A

bijwoord van tijd

B

bijwoord van graad

C

bijwoord van plaats

D

vragend bijwoord

Die sneakers zijn erg duur.

A

bijwoord van tijd

B

bijwoord van graad

C

bijwoord van plaats

D

vragend bijwoord

Waarom ben je zo laat?

A

bijwoord van tijd

B

bijwoord van graad

C

bijwoord van plaats

D

vragend bijwoord

Aan de slag!

Boek

Opdracht 6 tot en met 9

p. 64–65

20

Les 3: Theoriebundel + oefenbundel

  • mindmap

  • oefenen