3.3 Geld lenen kost geld!

Verwachtingen vandaag!
  • Mijn boek ligt open op paragraaf: 3.2 blz. 78 (huiswerkcontrole)
  • Ik heb alleen de benodigde spullen op tafel: Boek, schrift, etui en rekenmachine.
  • Als ik wat wil zeggen steek ik mijn hand op
  • Als de docent praat ben ik stil
  • Ik respecteer een ander en zijn eigendommen
1 / 12
next
Slide 1: Slide
EconomieVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

This lesson contains 12 slides, with interactive quiz and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Verwachtingen vandaag!
  • Mijn boek ligt open op paragraaf: 3.2 blz. 78 (huiswerkcontrole)
  • Ik heb alleen de benodigde spullen op tafel: Boek, schrift, etui en rekenmachine.
  • Als ik wat wil zeggen steek ik mijn hand op
  • Als de docent praat ben ik stil
  • Ik respecteer een ander en zijn eigendommen

Slide 1 - Slide

Leerdoelen herhalen
  • Je kunt de drie spaarmotieven noemen en er voorbeelden bij geven.
  • Je kunt het verschil tussen vrij opneembaar spaargeld en een spaardeposito uitleggen.
  • Je kunt rente berekenen met enkelvoudige rente.
  • Je kunt rente berekenen met samengestelde rente.
  • Je kunt uitleggen wat het gevolg van inflaties is voor de koopkracht van je spaargeld.

Slide 2 - Slide

H3 De bank en jouw geld
Paragraaf 3.3 Geld lenen kost geld!

Slide 3 - Slide

Leerdoelen 3.3
  • Je kunt de vier leenmotieven noemen en herkennen.
  • Je kunt de kredietkosten van een lening berekenen.
  • Je kunt de belangrijkste vormen van consumptief krediet noemen en herkennen.
  • Je kunt uitleggen wat een hypothecaire lening is.

Slide 4 - Slide

Leenmotieven
Er zijn verschillende leenmotieven:
  1. Je moet een tijdelijk geldtekort overbruggen.
  2. Je wilt een dure aankoop niet uitstellen.
  3. Je hebt onverwacht dringend geld nodig.
  4. Je koopt een huis, zo'n groot bedrag kun je niet bij elkaar sparen.

Slide 5 - Slide

Kosten van een lening
  • Een lening bij een bank moet je aflossen én je moet er rente over betalen.
  • De rente en aflossing samen betaal je in termijnen, meestal per maand.
  • Alles wat je meer terugbetaalt dan je geleend hebt, zijn de kredietkosten.
  • Die bestaan vooral uit rente en soms administratiekosten.

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Je leent €4.500 bij een bank en betaal je in 2 jaar terug. De maandtermijn is €225. Wat zijn de kredietkosten?

Slide 8 - Open question

Kredietvormen
Een lening van een consumptiegoed, zoals een keuken, noem je een consumptief krediet.
Er zijn verschillende kredietvormen:
  • Persoonlijke lening
  • Koop op afbetaling
  • Salariskrediet 

Slide 9 - Slide

Hypotheek
  • Vrijwel niemand kan genoeg geld bij elkaar sparen voor de aankoop van een huis.
  • Daarom sluiten mensen een hypothecaire lening (hypotheek)af.
  • Een Hypothecaire lening heeft meestal een looptijd van 30 jaar.
  • Voor de bank is het huis een onderpand voor de hypotheek, dat betekent dat de bank het huis mag laten verkopen als je de rente en aflossing niet kunt betalen. 
  • Woningeigenaren hebben een financieel voordeel, zij kunnen een deel van de betaalde hypotheekrente terugkrijgen via de Belastingdienst.

Slide 10 - Slide

Aan het werk!
Maken opdrachten 3.3: 1, 2, 5, 7, 9, 11 en 14
Klaar?
Laten checken bij docent, bij goedkeuring nakijken.
Klaar?  Werk laten zien aan docent.
Veel fout? -> Maken herhalingsopdrachten 3.3
Veel goed? -> Maken plusopdrachten 3.3

 

timer
25:00

Slide 11 - Slide

Leerdoelen herhalen
  • Je kunt de vier leenmotieven noemen en herkennen.
  • Je kunt de kredietkosten van een lening berekenen.
  • Je kunt de belangrijkste vormen van consumptief krediet noemen en herkennen.
  • Je kunt uitleggen wat een hypothecaire lening is.

Slide 12 - Slide