Les 9: Vaak gemaakte fouten

Spelling van vaak gemaakte fouten


1 / 31
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsSecundair onderwijs

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Spelling van vaak gemaakte fouten


Lesdoelen

Na deze les kan je …

  • vaak voorkomende schrijffouten herkennen en verbeteren

  • onderscheid maken tussen spreektaal en schrijftaal

  • correcte vormen gebruiken zoals:

    • mijn/men – zijn/zen – wil/wilt – eens/is

    • de/het – die/dat – hen/hun

    • jou/jouw – u/uw

Wat is correct?

A

Ik heb men boek vergeten.

B

Ik heb mijn boek vergeten.

Wat is correct?

A

Hij nam zen jas mee.

B

Hij nam zijn jas mee.

Wat is correct?

A

Ik ga is eens kijken.

B

Ik ga is kijken.

Uitleg

  • mijn = bezit | men = de mensen

  • zijn = bezit | zen = rust

  • eens = af en toe | is = werkwoord zijn

Wat is correct?

A

Hij wilt later verder studeren.

B

Hij wil later verder studeren.

Wat is correct?

A

We wilden graag iemand interviewen.

B

We wouden graag iemand interviewen.

Wat is correct?

A

Moest ik rijk zijn, dan…

B

Mocht ik rijk zijn, dan…

Uitleg

  • hij wil (geen -t) = onregelmatig werkwoord

  • wilden = standaardtaal | wouden = spreektaal

  • mocht = standaardtaal | moesten = spreektaal

Juist of fout

Hij vergist hem.

A

Juist

B

Fout

Juist of fout

Ze denkt altijd aan haar eigen.

A

Juist

B

Fout

Juist of fout

In zijn boekentas zit niets in.

A

Juist

B

Fout

Uitleg

  • wederkerend: zich

    • Hij vergist zich, niet hem.

  • zichzelf

    • Ze denkt altijd aan zichzelf, niet haar eigen.

  • opsplitsbare werkwoorden maar 1 keer schrijven

    • In zijn boekentas zit niets in.

Juist of fout

A

De gsm die kapot is

B

De gsm dat kapot is

Juist of fout

A

De leerlingen die te laat waren

B

De leerlingen dat te laat waren

Juist of fout

A

Het meisje die verward was.

B

Het meisje dat verward was.

Uitleg

  • bij het lidwoord de → gebruik verwijswoord die

  • bij het lidwoord het → gebruik verwijswoord dat

  • bij meervoud → gebruik als verwijswoord altijd die

Vul aan:


Ik gaf ___ het boek.

A

hen

B

hun

Vul aan:


De leraar strafte ___.

A

hen

B

hun

Vul aan:


De tranen sprongen ___ in de ogen.

A

hen

B

hun

Uitleg

  • hen: na voorzetsel of lijdend voorwerp

    • aan/voor/om hen

    • wie/wat + o + wwg = LV

  • hun: meewerkend voorwerp zonder voorzetsel

    • aan/voor/bij wie/wat? = MV

Spreektaal versus schrijftaal

SPREEKTAAL

Schrijftaal

Verschieten

Schrikken

Kwijtspelen

Kwijtraken

Uitleg

  • Spreektaal

    • tussentaal, soms dialect

    • hoort niet thuis in schrijfopdrachten


Waarom een keer met -w en een ander keer zonder?

Ik geef jou jouw agenda terug.

Waarom wordt dit ander geschreven?

Beide leerlingen waren te laat.

Beiden moesten nablijven.

Vul in:

Dat is ___ moeilijke toets.

A

zo'n

B

zulke

C

zulk

Vul in:

____ fouten zie ik vaak in taken.

A

zo'n

B

zulke

C

zulk

Vul in:

____ gedrag hoort niet in de klas.

A

zo'n

B

zulke

C

zulk

Uitleg

  • Zo’n = zo een (enkelvoud)

  • Zulke = meervoud / de-woorden

  • Zulk = het-woord / stofnaam


Maak Bookwidgets

Pagina 53