Ontdek de wereld van de gaswetten
Ontdek de wereld van de gaswetten
Leerdoel
Aan het einde van deze les kun je
Fenomenen met druk in vaste stoffen, vloeistoffen en gassen verklaren.
Druk en volume kwantificeren met de ideale gaswet.
De gaswet van Boyle-mariotte verklaren en toepassen.
Activatie: Woordenwolk
Welke woorden schieten je te binnen bij 'gas', 'druk', 'volume' en 'temperatuur'? Benoem wat jij denkt!
Wat weet je al over druk?
Wat weet je over volume?
Wat weet je over temperatuur?
Toestandsfactoren
Druk (p)
Volume (V)
Temperatuur (T)
Het aantal gasdeeltjes (n)
==> Zijn NIET onafhankelijk van elkaar
Wat gebeurt er met de druk als je het volume verkleint?
Bij eenzelfde temperatuur.
De druk neemt af
De druk blijft gelijk
De druk neemt toe
Waarom wordt een fietsband hard door pompen?
Waarom wordt een fietsband hard door pompen?
Antwoord: Door lucht in de band te persen verhoog je de druk, de deeltjes botsen vaker tegen de wand.
Voorbeeld: druk in het dagelijks leven
Boyle-Mariotte: druk-volume relatie
Bij constante temperatuur geldt: als het volume kleiner wordt, stijgt de druk.
p.V =Cte
p1.V1 = p2.V2
Wiskundig verband tussen p en V?
Boyle-Mariotte: druk-volume relatie
Bij constante temperatuur geldt: als het volume kleiner wordt, stijgt de druk.
p.V =Cte
p1.V1 = p2.V2
Regnault: druk-temperatuur relatie
Bij constant volume: druk stijgt als temperatuur stijgt.
Voorbeeld: afgesloten deodorantbus in de zon.
p/T =Cte
p1/V1 = p2/V2
Wiskundig verband tussen p en V?
Regnault: druk-temperatuur relatie
Bij constant volume: druk stijgt als temperatuur stijgt.
p/T =Cte
p1/T1 = p2/T2
Gay-Lussac: temperatuur-volume relatie
Bij constante druk: hoe hoger de temperatuur, hoe groter het volume. Bijvoorbeeld: een ballon die opwarmt in de zon.
Gay-Lussac: Volume-temperatuur relatie
Bij constante druk: Volume stijgt als temperatuur stijgt.
V/T =Cte
V1/T1 = V2/T2
Wiskundig verband?
Gay-Lussac: Volume-temperatuur relatie
Bij constante druk: Volume stijgt als temperatuur stijgt.
V/T =Cte
V1/T1 = V2/T2
Reflectie: wat heb je geleerd?
Kun jij nu uitleggen waarom een band hard wordt, een ballon niet altijd opblaast en een blikje kan imploderen? Benoem minimaal één dagelijks voorbeeld waarbij je de gaswetten kunt toepassen.
Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.
Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.
Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.