Zorg periode 2, les 7, 8 en 9

helpende zorg en welzijn
periode 2
les 7

leerdoel: je kunt uitleggen hoe je omgaat met opdrachten en instructies
1 / 39
next
Slide 1: Slide
WelzijnBeroepsopleidingMBOStudiejaar 1

This lesson contains 39 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

helpende zorg en welzijn
periode 2
les 7

leerdoel: je kunt uitleggen hoe je omgaat met opdrachten en instructies

Slide 1 - Slide

Heb je wel eens iets in elkaar gezet (bv ikea kast/bed) zonder de handleiding te gebruiken?

Slide 2 - Slide

Wat is een instructie tekst?
A
Een tekst waar veel informatie in staat
B
Een tekst waarin staat hoe je iets moet doen
C
Een tekst die jou probeert te overtuigen van iets
D
Een verhalende tekst

Slide 3 - Quiz

Een instructie tekst
  • Geeft de lezer een instructie hoe hij iets moet doen

  • Voorbeelden daarvan zijn: een handleiding, een gebruiksaanwijzing, een speluitleg of een recept.

  • De schrijver gebruikt korte en duidelijke zinnen

Slide 4 - Slide

Is het erg om een fout in een instructie tekst te maken?
Waarom wel? Waarom niet?


Wat kan er gebeuren?

Slide 5 - Slide

Opzoekvraag
Denk even aan de verschillende soorten teksten met een instructie 
  • Gebruiksaanwijzing
  • Recept
  • Handleiding
  • Spelinstructie

Zoek een duidelijke instructie voor het gebruik van een dekenboog.

Slide 6 - Slide

Wat is geen voorbeeld van een instructie tekst?
A
Een handleiding
B
Een gebruiksaanwijzing
C
Een reclamefolder
D
Een recept

Slide 7 - Quiz

Maak een korte instructie voor 

- het maken van appelmoes 
of
- het maken van een cake                                         
of
- het gebruik van het bedhek 

Slide 8 - Slide

instructie
korte duidelijke zinnen

1.
2.
3.
4.
5.

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Wat weet je nog?

Slide 12 - Slide

helpende zorg en welzijn
periode 2, les 8

doel:
- je kunt uitleggen hoe je omgaat met opdrachten en instructies
- je weet goed het verschil tussen objectief en subjectief 

Slide 13 - Slide

opdracht 2.3
blz 70

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

Objectief <--> subjectief
Objectief:
Mevrouw Burak zegt dat ze moe is.
Meneer Pieters heeft drie boterhammen gegeten.
Meneer Bron uit zijn ontevredenheid.
Subjectief:
Mevrouw Burak is moe.
Meneer Pieters heeft veel gegeten.
Meneer Bron zeurt veel.


Slide 16 - Slide

Objectief
Subjectief
timer
0:30
Bloeddruk
Waarnemingen
Weegschaal
Gemoedstoestand
Vooroordelen
Individuele gevoelens
Feiten
Mooi
Pijn
Urineproductie

Slide 17 - Drag question

wanneer ben jij subjectief?

Slide 18 - Mind map

wanneer ben jij objectief?

Slide 19 - Mind map

Objectief en subjectief
Objectief: onpersoonlijk, zakelijk, feiten, controleerbaar
Subjectief: persoonlijke mening
De deur is geel (objectief = feit).
Geel is een mooie kleur (subjectief = mening).

Slide 20 - Slide

Communiceren over en met zorgvragers
Objectief = het gaat om een feit. Het is neutraal en staat los van meningen.
Bv: De school begint om 8.30u.

Subjectief = het gaat om een mening. Je vindt ergens iets van.
Bv: Ik vind school leuk.
Observeren = goed opletten of er bijzonderheden zijn: gedrag - gezondheid.
Bv: Ik zie dat de zorgvrager een praatje maakt met de buurvrouw.
Zakelijk rapporteren = je beschrijft hoe iets verlopen is (objectieve zaken) 
- Mondeling via de leidinggevende 
- Schriftelijk in een zorgdossier of logboek. Bv: de zorgvrager heeft koorts.
Feedback = reactie op de verbale of non-verbale communicatie




Slide 21 - Slide

Hoe rapporteer je?
a. Zakelijk, je maakt geen grappen;
b. Wees duidelijk, zeg waar het om gaat;

Informatie is:
c. volledig
d. beknopt, kort samengevat
e. objectief, met feiten dus geen meningen


Slide 22 - Slide

kort en duidelijk formuleren
Bekijk het filmpje
Maak een rapportage


Slide 23 - Slide

Slide 24 - Video

Schrijf hier je rapportage:
Helder en kernachtig formuleren!

Slide 25 - Open question

fotokaarten

Slide 26 - Slide

Slide 27 - Slide

les 9   herhaling :)

  • werkplekken
  • methodisch werken
  •  begrippen periode 1
  • opdracht/ instructie
  • objectief & subjectief

Slide 28 - Slide

pictionary
welke werkplek teken ik?

woonzorgcentrum
begeleid wonen
thuiszorg
buurthuis
dagbesteding
kinderopvang
revalidatie centrum

Slide 29 - Slide

Methodisch werken
morgen ben je jarig en je wilt een taart bakken, 
wat moet je doen? 

Slide 30 - Slide

        Voorbereiden
 p                          Plan van aanpak maken
 Uitvoeren
                              Terugkijken (evalueren)
 

Slide 31 - Slide

maak op je eigen telefoon

Slide 32 - Slide

Slide 33 - Slide

Slide 34 - Slide

objectief - subjectief
Objectief = waarnemen zonder oordeel

Subjectief = waarnemen met een oordeel

Slide 35 - Slide

objectief          en        subjectief

Slide 36 - Slide

Slide 37 - Slide

Wat weet je nog?

Slide 38 - Slide

Slide 39 - Slide