Voorbereiding quiz 3e klas vmbo Marlien

Leerdoelen

Grammatica: - Zinsontleding

                            - woordsoorten

Spelling                                             

Over taal:        - Woordenschat

                            - Kijk naar taal

Lezen                                                






1 / 52
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmboLeerjaar 3

This lesson contains 52 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Leerdoelen

Grammatica: - Zinsontleding

                            - woordsoorten

Spelling                                             

Over taal:        - Woordenschat

                            - Kijk naar taal

Lezen                                                






Slide 1 - Slide

zinsdelen
woordsoorten
onderwerp
lijdend voorwerp
telwoord
meewerkend voorwerp
werkwoordelijk
gezegde
zelfstandig naamwoord
bijvoeglijk naamwoord
werkwoord
voorzetsel
lidwoord

Slide 2 - Drag question

Welke woordsoort ontbreekt in de zin:

___ vogels vliegen in de lucht.
A
lidwoord
B
werkwoord
C
zelfstandig naamwoord
D
voorzetsel

Slide 3 - Quiz

Welke woordsoort ontbreekt in de zin:

De koeien _____ weer naar buiten.
A
lidwoord
B
werkwoord
C
zelfstandig naamwoord
D
voorzetsel

Slide 4 - Quiz

Welke woordsoort ontbreekt in de zin:

Janneke heeft een mooi ____ aan.
A
lidwoord
B
werkwoord
C
zelfstandig naamwoord
D
voorzetsel

Slide 5 - Quiz

Welke woordsoort ontbreekt in de zin:

De paarden grazen ___ de wei.
A
bijvoeglijk naamwoord
B
werkwoord
C
zelfstandig naamwoord
D
voorzetsel

Slide 6 - Quiz

Welke woordsoort ontbreekt in de zin:

Het ____ meisje kan erg goed zingen.
A
bijvoeglijk naamwoord
B
werkwoord
C
zelfstandig naamwoord
D
voorzetsel

Slide 7 - Quiz

De brand heeft het oude boerderijtje verwoest.
________
A
werkwoord
B
zelfstandig naamwoord
C
bijvoeglijk naamwoord
D
voorzetsel

Slide 8 - Quiz

De brand heeft het oude boerderijtje verwoest.
___________
A
werkwoord
B
zelfstandig naamwoord
C
bijvoeglijk naamwoord
D
voorzetsel

Slide 9 - Quiz

Tegenwoordige tijd van: lijken
A
Lijkt
B
Lijkdt
C
Lijkd

Slide 10 - Quiz

Geef aan wat de verleden tijd van 'zien' is.

Slide 11 - Open question

In welke zin staat een voltooid deelwoord?

1. Hij verhuist naar Amsterdam.
2. Hij is naar Amsterdam verhuisd.
A
zin 1
B
zin 2

Slide 12 - Quiz

Waarom gebruiken we leestekens?

Slide 13 - Mind map

Schrijf over. Zet leestekens waar dat moet.
Levi wil je die bak met pennen potloden en stiften aangeven

Slide 14 - Open question

‘Sara zei:‘ Ik heb een super vakantie gehad!
A
Goed
B
Fout

Slide 15 - Quiz

Schrijf over. Zet leestekens waar dat moet.

Ik blijf vandaag thuis omdat ik schoolziek ben

Slide 16 - Open question

Wat is de persoonsvorm? Door de najaarstorm waaiden de pannen van het dak.
A
Door de najaarstorm
B
Waaiden
C
De pannen
D
Het dak

Slide 17 - Quiz

Welke regel pas je toe bij:
jij achter het werkwoord
A
STAM
B
STAM + T
C
HELE WERKWOORD

Slide 18 - Quiz

Wat (vinden) jij van mijn onderzoek?
A
Vindt - want: stam + t
B
Vindt - want de persoonsvorm is een ww
C
Vind - want 'jij' staat achter de pv en je kunt er 'je'van maken
D
Vind - want je kunt van jij jouw maken

Slide 19 - Quiz

Schrijf de juiste vorm op:
Jij (kletsen) heel graag met mij

Slide 20 - Open question

Schrijf de juiste vorm op:
(Geven) jij de ketchup aan mij

Slide 21 - Open question

Slide 22 - Slide

de opvatting

Slide 23 - Mind map

Vind de goede betekenis
Examenwoorden
In een pikkedonkere kamer kun je . . . . . . . . . hoe het is om blind te zijn.
De schrijvers geven een . . . . . . . . . .  over de titel van hun boek en over de  website waarop je meer informatie kan vinden.
Als je de woorden goed hebt nagekeken, dan kan je het dictee . . . . . . . . . .  maken.
Mijn mentor gaf het . . . . . . . . . .  om kok te worden. Hij vindt dat dat beroep goed bij mij past.
Ik vergat na een treinreis uit te checken. Nu heb ik bij de NS een . . . . . . ingediend om geld terug te krijgen.
toelichting 
verzoek
ervaren
feilloos
advies

Slide 24 - Drag question

Het woord MODEL kent 2 betekenissen. Welke betekenis wordt hier bedoeld?
Om een vaartuig te maken heb ik eerst een model nodig.
A
B

Slide 25 - Quiz

Het lukt de verwarde vrouw niet om een SAMENHANGEND verhaal te vertellen. Ze haalt van alles door elkaar en is niet te volgen.
A
met logische verbanden
B
samen met anderen
C
ergens bij passen
D
duidelijk worden

Slide 26 - Quiz

Wat wordt op deze foto bedoelt met
LOKAAL?
A
Wij rijden terug naar de klas
B
Opnieuw veel regen opkomst

Slide 27 - Quiz

Morgen voert zijn vader een OPENHARTIG gesprek met zijn broers.
A
open en eerlijk durven praten over je gevoelens
B
meer op feiten gericht en wat minder op personen

Slide 28 - Quiz

Wat is een dubbele ontkenning?
A
twee woorden die tegenovergesteld zijn.
B
twee woorden die allebei een ontkenning aangeven.
C
twee woorden die door elkaar worden gehaald.
D
twee woorden die hetzelfde betekenen.

Slide 29 - Quiz


Ik ben nooit niet bang in de achtbaan.
Verbeter de dubbele ontkenning in de zin.

Slide 30 - Open question



Het is verboden om hier geen fietsen te plaatsen.                 Verbeter de dubbele ontkenning in de zin.

Slide 31 - Open question

1.Die tuinman krijgt zijn nieuwe klanten vooral door mond-op-mondreclame.

Slide 32 - Open question

2.Mijn nicht woont een half jaar in Frankrijk en spreekt nu al vloeibaar Frans.

Slide 33 - Open question

2.Ik zie door het bos de bomen niet meer.

Slide 34 - Open question

3.Het gaat het ene oog in en het andere weer uit.

Slide 35 - Open question

Vind de goede betekenis
Examenwoorden
De strijd om een ander te overtreffen
Met veel kennis van het vak
De onverwachte problemen als gevolg van iets anders
De iemand die niet in zijn woonplaats werkt
Werkelijk, waarschijnlijk
De gedachte die te mooi is om waar te zijn
Doeltreffend, met het gewenste effect
Heel korte manier van opschrijven
complicaties
vakkundig 
reëel
concurrentie
forens
illusie
 effectief
telegramstijl

Slide 36 - Drag question

Is de zin juist verdeeld in zinsdelen?
De jonge held | kreeg | een onderscheiding.
A
juist
B
onjuist

Slide 37 - Quiz

Is de zin juist verdeeld in zinsdelen?
Over | een paar jaar | heeft | iedereen | een smartwatch.
A
juist
B
onjuist

Slide 38 - Quiz

De vlag uit
Het Nationaal Comité 4 en 5 mei vraagt Nederland om op 4 mei de vlag de gehele dag halfstok te hangen ter nagedachtenis aan de oorlogsslachtoffers. Normaal gesproken mag dat alleen op de avond van 4 mei vanaf 18.00 uur tot zonsondergang. Op 5 mei wil het comité graag dat iedereen de vlag uitsteekt om de vrijheid uit te dragen. En als eerbetoon aan hen die ons 75 jaar geleden hebben bevrijd. 

Slide 39 - Slide

Wat is de hoofdgedachte van de tekst?
A
Dodenherdenking gaat dit jaar niet door
B
Bevrijdingsdag gaat dit jaar niet door
C
Dodenherdenking en Bevrijdingsdag zijn dit jaar anders dan gewoon
D
Op 4 en 5 mei moet de vlag uitgehangen worden

Slide 40 - Quiz

Wat is een comité?
A
een groep mensen met een andere interesse
B
een groep mensen met een andere mening
C
een groep mensen met een bepaalde taak of doel

Slide 41 - Quiz

Wat is de bijzin?

Wie als eerste over de finish is, wint het toernooi.
A
wint het toernooi
B
wie als eerste over de finish is

Slide 42 - Quiz

Wat is de hoofdzin?

Mijn moeder zei dat ik als baby altijd aan het lachen was.
A
Mijn moeder zei
B
dat ik als baby altijd aan het lachen was.

Slide 43 - Quiz

Samuel en Thomas hebben gisteren een ongeluk gezien toen ze naar huis fietsten.
A
Dit zijn twee hoofdzinnen
B
Dit zijn een hoofdzin en een bijzin

Slide 44 - Quiz

Sleep de zinsdelen naar het juiste vak.
onderwerp
lijdend vvw
ww gezegde
meewerkend vw
Zin:
Gisteren
bracht
ze
een goed boek
voor mij
mee.

Slide 45 - Drag question

Sleep de zinsdelen naar het juiste vak.
onderwerp
lijdend vvw
ww gezegde
meewerkend vw
Zin:
Marjan
had
een mooi gedicht
voor haar opa 
geschreven. 

Slide 46 - Drag question

Wat is het naamwoordelijk gezegde in deze zin?
De vervelende afwas bleef lang staan.
A
bleef
B
afwas bleef
C
afwas blijft vervelend
D
er is geen naamwoordelijk gezegde

Slide 47 - Quiz

Het gebouw wordt afgebroken.
Deze zin heeft een...
A
werkwoordelijk gezegde
B
naamwoordelijk gezegde

Slide 48 - Quiz

Wat is de bijwoordelijke bepaling:
Met deze auto wil ik rijden.
A
ik
B
wil rijden
C
auto
D
met deze auto

Slide 49 - Quiz

Noem de wederkerige vnw

Slide 50 - Open question

Noem de belangrijkste betrekkelijke vnw

Slide 51 - Open question

Ben je al voorbereid op je essay?
😒🙁😐🙂😃

Slide 52 - Poll