werkwoordspelling 4 (vt/tt)

zet de goede vorm van het werkwoord in de zin. 


let op:

tt = tegenwoordige tijd

vt = verleden tijd 

1 / 21
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1Leerroute 2

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 30 min
Report this lesson

Items in this lesson

zet de goede vorm van het werkwoord in de zin. 


let op:

tt = tegenwoordige tijd

vt = verleden tijd 

Wij ____ gisteren allemaal hetzelfde (dromen, vt)

Boris ___ toen over elfjes. (dromen, vt)

De moeders ___ de kleding van hun kinderen. (naaien, tt)

Vorige week____ ik op de komst van mijn tante. (rekenen, vt)

____ jij graag? (schaatsen, tt)

ik ___ graag met de lego. (spelen, tt)

Toen ___ jij erg vaak. (knuffelen, vt)

Morgen ___ ik al mijn oude schriften. (bekijken, tt)

wij ___ vorige week de kaart op. (vouwen, vt)

Pim en Sofie ____ over het nieuwe meisje. (fluisteren, tt)

Lisa en Adam ___ gisteravond het stof van hun kleren. vegen (vt)

De dieren ___ met hun baasjes (knuffelen, vt)

Ik ____ gisteren dt mijn zus zou winnen. (hopen, vt)

vorige week ___ jij de verf van je tafel. (poetsen, vt)

Mijn ouders ____ gisteren de voortuin. (bemesten, vt)

____ ik zo hard genoeg (roeren, tt)

_____ jij wel eens iets online. (bestellen, tt)

jij ____ vorige week in het boek. (kleuren, vt)

Gisteren ____ ik een mooie blouse. (bestellen, vt)

Afgelopen weekend ___ jij het vlees door elkaar. (roeren, vt)