zet de goede vorm van het werkwoord in de zin.
let op:
tt = tegenwoordige tijd
vt = verleden tijd
zet de goede vorm van het werkwoord in de zin.
let op:
tt = tegenwoordige tijd
vt = verleden tijd
Wij ____ gisteren allemaal hetzelfde (dromen, vt)
Boris ___ toen over elfjes. (dromen, vt)
De moeders ___ de kleding van hun kinderen. (naaien, tt)
Vorige week____ ik op de komst van mijn tante. (rekenen, vt)
____ jij graag? (schaatsen, tt)
ik ___ graag met de lego. (spelen, tt)
Toen ___ jij erg vaak. (knuffelen, vt)
Morgen ___ ik al mijn oude schriften. (bekijken, tt)
wij ___ vorige week de kaart op. (vouwen, vt)
Pim en Sofie ____ over het nieuwe meisje. (fluisteren, tt)
Lisa en Adam ___ gisteravond het stof van hun kleren. vegen (vt)
De dieren ___ met hun baasjes (knuffelen, vt)
Ik ____ gisteren dt mijn zus zou winnen. (hopen, vt)
vorige week ___ jij de verf van je tafel. (poetsen, vt)
Mijn ouders ____ gisteren de voortuin. (bemesten, vt)
____ ik zo hard genoeg (roeren, tt)
_____ jij wel eens iets online. (bestellen, tt)
jij ____ vorige week in het boek. (kleuren, vt)
Gisteren ____ ik een mooie blouse. (bestellen, vt)
Afgelopen weekend ___ jij het vlees door elkaar. (roeren, vt)