§ 4.3 Grammaire I: partir.

Partir - vertrekken.
1 / 12
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

This lesson contains 12 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Partir - vertrekken.

Slide 1 - Slide

Doel: je kunt in het Frans zeggen dat je vertrekt.
Doel: je kunt in het Frans zeggen dat je vertrekt. 

Slide 2 - Slide

Les:

Uitleg: ww partir.
Nakijken: ex 3 t/m 7.
Zelfstandig werken.
Huiswerk:

- maken ex 8A t/m 8C.
- Maken ex 8D of 8E.
- Leren apprendre 1 t/m 3. 

Slide 3 - Slide

Partir:

je pars
tu pars
il/elle/on part

nous partons
vous partez
ils/elles partent


ik vertrek
jij vertrekt
hij/zij/men vertrekt

wij vertrekken
jullie vertrekken/u vertrekt
zij vertrekken

Slide 4 - Slide

parti - vertrokken
Il est parti - hij is vertrokken.

Partir heeft être als hulpwerkwoord. Daarover leer je meer in grammaire II.

Slide 5 - Slide

Je ........ à l'aéroport.
ik vertrek naar het vliegveld.
A
part
B
parti
C
partir
D
pars

Slide 6 - Quiz

Elle ... en train.
Zij vertrekt met de trein.
A
pars
B
part
C
partons
D
partez

Slide 7 - Quiz

Demain, nous ... en vacances.
Morgen, vertrekken wij op vakantie.
A
partons
B
pars
C
partions
D
parti

Slide 8 - Quiz

Welk hulpwerkwoord heeft partir in de passé composé?
A
avoir
B
être

Slide 9 - Quiz

Nakijken:
Exercice 3 t/m 7.

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Link

Zelfstandig werken
§ 4.3 maken ex 8A t/m 8C
maken 8D of 8F
Leren apprendre 1 t/m 3

Slide 12 - Slide