H1 Lezen

Leesvaardigheid
Onderwerp en deelonderwerpen
1 / 26
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmboLeerjaar 2

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Leesvaardigheid
Onderwerp en deelonderwerpen

Slide 1 - Slide

Uitleg boek 1 kiezen en boekverslag.
Ik kan het onderwerp en de deelonderwerpen in een korte tekst vinden.
Ik kan de inleiding, het middenstuk en het slot van een tekst herkennen.
Taalweetjes 
startopdracht, filmpje, groene blok, lessonup
Lezen opdracht 1 en 2

Nederlands 
les 1
Lezen opdracht 1 en 2 maken
Klaar? laten zien, nakijken, verbeteren, laten zien
Maak *3 opdracht of ga lezen
Doel behaald?
Vragen?
Lezen opdracht 1 afmaken

Slide 2 - Slide

Taalweetjes 
Lezen opdracht 1,2
Ik kan het onderwerp en de deelonderwerpen in een korte tekst vinden.
Ik kan de inleiding, het middenstuk en het slot van een tekst herkennen.
lessonup
Lezen opdracht 4 maken

Nederlands 
les 2
Lezen opdracht  4 en 5* maken 
Klaar? laten zien, nakijken, verbeteren, laten zien
Maak *3 opdracht of ga lezen

Doel behaald?
Vragen?
Elke les Nederlands een leesboek mee!
H1 Lezen opdracht 1, 2, 4, 5*  afmaken
Leesboek voor boekverslag laten controleren

Slide 3 - Slide

Weet je nog?
Wat is oriënterend lezen?
A
Bekijk de tekst en lees de eerste alinea
B
Lees de eerste en laatste zin van de alinea's
C
Bekijk de tekst en zoek de info die je nodig hebt
D
Lees de tekst helemaal en nauwkeurig

Slide 4 - Quiz

Weet je nog?
Wat is precies lezen?
A
Bekijk de tekst en lees de eerste alinea
B
Lees de eerste en laatste zin van de alinea's
C
Bekijk de tekst en zoek de info die je nodig hebt
D
Lees de tekst helemaal en nauwkeurig

Slide 5 - Quiz

Weet je nog?
Wat is globaal lezen?
A
Bekijk de tekst en lees de eerste alinea
B
Lees de eerste en laatste zin van de alinea's
C
Bekijk de tekst en zoek de info die je nodig hebt
D
Lees de tekst helemaal en nauwkeurig

Slide 6 - Quiz

ONDERWERP
Een tekst of een verhaal gaat ergens over.
Dit noem je het onderwerp van een tekst.
Lees de tekst eerst oriënterend 
en stel dan de vraag: 
Waarover gaat de hele tekst?

Slide 7 - Slide

DEELONDERWERPEN
In een tekst kunnen verschillende dingen over een onderwerp gezegd worden.
Deze kleinere aspecten van het onderwerp zijn deelonderwerpen.

Meestal wordt er in één alinea één deelonderwerp behandeld.

Slide 8 - Slide

DEELONDERWERPEN
Als je heel snel wilt weten wat de deelonderwerpen in een tekst zijn, dan lees je een tekst globaal.

Bij globaal lezen lees je alleen de eerste en de laatste zin van elke alinea.

Slide 9 - Slide

Wat zou een deelonderwerp kunnen zijn in een tekst over voetbal?
A
De verzorging van een konijn
B
Het tenue
C
Kruidentuin
D
Koffiebonen

Slide 10 - Quiz

Wat zou een deelonderwerp kunnen zijn in een tekst over school?
A
De dierenwinkel
B
De geschiedenis van voetbal
C
Pauzes in de aula
D
Zakgeld

Slide 11 - Quiz

Wat zou een deelonderwerp kunnen zijn in een tekst over politiek?
A
Gezelschapsspellen
B
Verkiezingen
C
Vakantiereizen
D
De woestijn

Slide 12 - Quiz

Een goede tekst bestaat uit 
drie delen

- een inleiding
- het middenstuk (kern)
- een slot

Slide 13 - Slide

INLEIDING

- vertelt op een interessante en boeiende manier wat het onderwerp van een tekst is

Slide 14 - Slide

MIDDENSTUK (KERN)

- bestaat vaak uit meerdere alinea's
- vertelt in elke alinea iets nieuws over het onderwerp
- elke alinea kan een tussenkopje hebben

Slide 15 - Slide

SLOT

- dit is de afronding van de tekst
- hierin staat de conclusie, de hoofdgedachte of een samenvatting met de belangrijkste zaken op een rij

Slide 16 - Slide

Hoe is een goede tekst opgebouwd?
A
Inleiding en middenstuk
B
Inleiding, middenstuk en slot
C
Middenstuk en slot
D
Inleiding en slot

Slide 17 - Quiz

Wat vind je in het middenstuk van de tekst?
A
de inleiding
B
de mening van de schrijver
C
de conclusie
D
de deelonderwerpen

Slide 18 - Quiz

Wat is een deelonderwerp?
A
een onderwerp van een hoofdstuk
B
een aspect van het onderwerp
C
een aspect van het slot
D
een onderwerp van de eerste alinea

Slide 19 - Quiz

Waar in de alinea staat de belangrijkste zin?
A
In het midden
B
Meestal aan het begin, soms aan het einde
C
Altijd aan het einde
D
Die kan overal staan

Slide 20 - Quiz

Aan de slag:

afmaken 1, 2 van dinsdag
maken: iedereen 4
kgt ook: 3* en 5 *

Slide 21 - Slide

timer
1:00

Slide 22 - Slide

Taalweetjes
(online openen)
Quiz gebaren

Slide 23 - Slide

Instructie lezen H1
startopdracht
filmpje
groene blok

Slide 24 - Slide

Aan de slag:
Maak opdracht:  1 en 2

Slide 25 - Slide

timer
1:00

Slide 26 - Slide