Herhalingsles H1 t/m H4

Herhalingsles H1 t/m H4 9 maart
1 / 35
next
Slide 1: Slide
WelzijnMBOStudiejaar 1

This lesson contains 35 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Herhalingsles H1 t/m H4 9 maart

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

belangrijk:
A definitie dagbesteding.
B. behoeftentrap Maslov (5)
C. dagbesteding in t verleden
D. financiering
E. begrippen: participatie, emancipatie, sociale inclusie, passend onderwijs. 
F ontwikkelingsfasen ( adolescentie, volwassen , ouderdom)
G. structuur bieden bij activiteiten (6)
H visies op menselijk gedrag: 5 benaderingwijzen.  

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

belangrijk
H  Vraaggerichtwerken (4)
I Auto-anamnese
J Doelen: werkdoelen en 
K Aspecten van dagbesteding
L indeling participatieladder
M Participatie en emancipatie
N Kernkwaliteiten beroepskracht en met voorbeelden
O Methodische cyclus? en stappen toelichten
P Uitleg SMART doelen en toepassen.




Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Wat gaan we doen? 9 maart
- herhalingsles H1 t/m H4 ( korte uitleg van alle H en quiz er tussendoor)
- opdrachten bijwerken & leren :
 H 4: "aan de slag"
   digitale leeromgeving  
oefenen met studievragen
oefenen met studiehulp

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

H1
Wat is dagbesteding?

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Dagbesteding gaat over activiteiten die overdag plaatsvinden.
timer
0:30
A
Waar
B
Niet waar

Slide 6 - Quiz

This item has no instructions

Dagbesteding
= Doelgerichte, zoveel mogelijk zingevende, gestructureerde invulling van activiteiten om de tijd die tot je beschikking hebt te besteden

Als MZ'er ben je bezig met de dagbesteding van kwetsbare groepen --> begeleiden en ondersteunen in: bv. vaardigheden en vrije tijd. 

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Aspecten van dagbesteding
Bij dagbesteding spelen vier aspecten een rol:
1. De persoon die aan de dagbesteding meedoet: dagbesteding geeft invulling aan de behoeften en wensen. Dit doet iedereen op zijn eigen manier.
2. De aard van de dagbesteding zelf: de tijd die je in een bepaalde levensfase beschikbaar hebt, geef je vorm en inhoud met dagbesteding
3. De omgeving waarin de dagbesteding plaatsvindt: dit is een plek die je eigen is, waar je veilig bent. Deze deel je met anderen of juist niet.
4. De waarde van de dagbesteding: het materiaal om je dag, je leven, je bestaan vorm en inhoud te geven. Je bent hier zelf een onderdeel in. 

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Welke taken kun je de cliënt kunt aanleren? 
Als beroepskracht maatschappelijke zorg is het jouw taak om cliënten te helpen bij taken in hun levensloopfase. Je kunt verschillende taken aanleren, je moet hierbij het volgende in de gaten houden :
  • Gedrag
  • Zingeving
  • Competenties
  • Werken
  • Scholing
  • Vrije tijd

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Valt vrije tijd wettelijk gezien onder de noemer dagbesteding?
timer
0:30
A
Ja
B
Nee

Slide 10 - Quiz

This item has no instructions

Piramide van Maslow
Fysiologische behoeften
Veiligheid en zekerheid
Sociale acceptatie
Waardering (en erkenning)
Zelfrealisatie 
1e behoefte
2e behoefte
3e behoefte
4e behoefte
5e behoefte

Slide 11 - Drag question

This item has no instructions

Dagbesteding in het verleden
  1. Arbeidstherapie (1920- 1970) : de cliënt uit de geestelijke gezondheidszorg neemt deel aan verschillende werkzaamheden. 
  2. Bezigheidstherapie (jaren 70): de aandacht van de cliënt af leiden van zijn beperkingen en hem een aangenaam tijdverdrijf te bieden. 
  3. Activiteitenbegeleiding (1980) : het aanbieden en begeleiden van activiteiten.
  4. Sociale werkvoorziening (na 1980- 2014): (voorheen) door de overheid mogelijk gemaakte werkplek voor cliënten met een arbeidshandicap --> passende, beschutten werkplek vanuit de overheid. 
  5. Individualisering (1990): maatwerk bij ondersteuning en vraaggericht werken. 

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Wie zijn er momenteel vooral verantwoordelijk voor de financiering van zorg en welzijn?
timer
1:00
A
De burger zelf
B
De gemeente
C
De regering
D
De zorgverzekeraars

Slide 13 - Quiz

This item has no instructions

Financiering en verantwoordelijkheid
Vooral de gemeenten zijn verantwoordelijk voor de financiering van zorg en welzijn.


  • Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo): regelt voorzieningen voor cliënten met een beperking, zorgt voor huishoudelijke hulp, ondersteunt de mantelzorg, stimuleert wijkbetrokkenheid en geeft opvoedingsondersteuning.

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

H2
De betekenis van dagbesteding voor de cliënt 

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Wat is participatie?
timer
1:00
A
Opbouw in gradatie van het niveau van meedoen in de samenleving van mensen.
B
Het als volwaardig burger kunnen deelnemen aan wat er in de samenleving gebeurt.
C
Mensen met een specifieke achtergrond eisen gelijke rechten op.
D
Deelname aan een bepaalde activiteit.

Slide 16 - Quiz

This item has no instructions

Participatie

  • Participatie = het als volwaardig burger kunnen deelnemen aan wat er in de samenleving gebeurt.
  • Participatie is belangrijk op de volgende gebieden:
             Scholing: ieder heeft het recht zich te ontplooien, ontwikkelen.
             Vrije tijd: ieder heeft het recht zich te ontspannen, verbonden te voelen, leven en beleven.
             Werk: ieder heeft recht op waardering voor zijn prestaties en de verantwoordelijk om een bijdrage te leveren aan zijn eigen economisch) bestaan.

Je kunt participatie onderverdelen in verschillende manieren:
  1. Participatie breed en smal
  2. Participatie afgebakend naar domein
  3. Actieve en passieve participatie
  4. Indeling naar doel en mate van interactie

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Emancipatie betekent:

A
Opkomen voor jezelf en je eigen rechten
B
Opkomen voor de rechten van een ander
C
Opkomen voor de rechten van iedereen

Slide 18 - Quiz

This item has no instructions

Emancipatie
= zoveel als opkomen voor jezelf

Als medewerker MZ ondersteunt de cliënt in het grip krijgen op zijn eigen leven.
Hierbij is een goede afstemming belangrijk, zodat de cliënt zijn autonomie
behoudt. 

Belangrijke aandachtspunten: 
  • Gelijkwaardigheid --> je gaat naast de cliënt staan. Belangrijk hierbij zijn wederzijdse communicatie en de noodzaak van onderstaande communicatie.
  • Keuzevrijheid --> eigen keuzes kunnen en mogen maken. Dit vraagt om specifieke benadering.
  • Ondersteuning --> uitgangspunt is flexibiliteit en vraaggericht werken.
  • Sociale (ondersteuning) netwerken --> rekening houden met de ervaringsdeskundigheid van de omgeving is belangrijk.
  • Respectvolle bejegening --> omgang met elkaar, het is een grondhouding die een voorwaarde is voor empathische benadering. 

Slide 19 - Slide

Wat hebben participatie en emancipatie met elkaar te maken?
Wat betekent sociale inclusie en wat komt erbij kijken?
Er zijn meerdere antwoorden goed
timer
0:30
A
Het behouden van de samenleving op de manier hoe het nu gaat.
B
Het veranderen van de maatschappij, zodat groepen in een achterstandssituaties kunnen meedoen in het regulier leven.
C
Het is een ideaalplaatje van een samenleving waarbij verschillen tussen mensen door allen gerespecteerd wordt.
D
De insluiting in de samenleving van achtergestelde groepen op basis van gelijkwaardige rechten en plichten.

Slide 20 - Quiz

This item has no instructions

Dansen door mensen in een rolstoel en passend onderwijs zijn voorbeelden van sociale inclusie.
timer
0:30
A
waar
B
niet waar

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions

H3
De betekenis van dagbesteding voor de beroepskracht

Slide 22 - Slide

This item has no instructions

De vijf benaderingen (visies op menselijk gedrag en dagbesteding)
  • Psychodynamische benadering
  • Behavioristische benadering
  • Cognitieve benadering
  • Humanistische benadering
  • Biologische benadering

Slide 23 - Slide

This item has no instructions

Wat betekent vraaggericht werken voor de Beroepskracht MZ?
timer
1:00
A
Goed luisteren, kijken naar signalen en vragen van de cliënt.
B
Brengt wensen, behoeften en mogelijkheden van de cliënt in kaart.
C
Laat zich leiden door de eigen normen en waarden.
D
Kan zich niet inleven in de cliënt.

Slide 24 - Quiz

This item has no instructions

Vraaggericht werken
Cliënt moet in staat zijn eigen mening te geven zodat begeleiding en ondersteuning hierop afgestemd kan worden

Empowerment = stimuleren van cliënten eigen verantwoordelijkheid te tonen

Samenwerking op basis van gelijkwaardigheid en respect
Cliënt actief betrokken

Slide 25 - Slide

This item has no instructions

Een hulpvraag is een vraag die aangeeft wat de cliënt zelf nog wel kan doen.
timer
0:30
A
Juist
B
Onjuist

Slide 26 - Quiz

This item has no instructions

Wat is een impliciete hulpvraag
timer
0:30
A
Is een onderliggende onuitgesproken hulpvraag
B
Is een duidelijke hulpvraag van mantelzorgers
C
De cliënt kan de hulpvraag zelf formuleren
D
De hulpvraag wijkt af van de echt hulpvraag

Slide 27 - Quiz

De hulpvraag omschrijft de wensen en behoeften van de cliënt. 
Kernkwaliteiten 
  • Creativiteit en scheppingsvermogen
  • Genuanceerdheid en diplomatie
  • Doelmatigheid en pragmatisme
  • Inlevingsvermogen en harmonie  

Slide 28 - Slide

This item has no instructions

Wat betekent : Genuanceerdheid en diplomatie

timer
0:45
A
multi -complexe vraagstukken, doelgericht aanpakken
B
Overzichtelijke vraagstukken en planmatige uitvoering.
C
Onverwachts en ongestructureerd
D
Complexe vraagstukken, problemen en uitdagingen : goede samenwerking, grenzen aangeven

Slide 29 - Quiz

This item has no instructions

H4
Methodisch begeleiden van dagbesteding

Slide 30 - Slide

This item has no instructions

1
2
3
4
5
Beginsituatie bepalen
Doelen formuleren
Plan voorbereiden 
Plan uitvoeren 
Evaluatie

Slide 31 - Drag question

Per stap na gaan wat ermee bedoelt wordt.
a. Noem een voorbeeld van een hoofddoel
b. Noem een voorbeeld van een werkdoel bij het hoofddoel

Slide 32 - Open question

This item has no instructions

Van hulpvraag naar doel
Doelstelling moet voortvloeien uit de hulpvraag van een cliënt.
  • Hoofddoel --> wat je uiteindelijk wilt bereiken.
  • Werkdoel --> hiermee werk je toe om het hoofddoel te behalen (gericht op een activiteit).

Het hoofddoel moet altijd SMART, werkdoel alleen als het erbij staat (wel in het achterhoofd SMART)

Slide 33 - Slide

Hoofddoel: zelfstandig 
Waar staan de letters SMART voor?
timer
1:00

Slide 34 - Open question

This item has no instructions

Aan de slag
  • Wie wil er oefenen met het formuleren van doelen?


  • Achterstanden bijwerken

Loop je helemaal bij? Dan ga je leren voor de toets.  

Slide 35 - Slide

This item has no instructions