T2: herhaling: Ik kan regelmatige werkwoorden vervoegen in het Spaans.

Klasseregels:
Ga voor de les naar het toilet.
Ga rustig zitten op je stoel.
Pak je boek, werkboek en schrift. 
Zet je tas op de grond.
Wacht in stilte tot de docent begint met de les.

Wat gebeurd er als je niet luistert?

1x krijg je een waarschuwing en een streep.
2x krijg je een taakstraf van de docent en een tweede streep.
3x groene kaart ophalen en nablijven.
Herhaling

16 februari SO woordenschat

Na de vakantie 4 maart formatieve toets regelmatige werkwoorden en het werkwoord estar.
1 / 17
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolmavoLeerjaar 1,2

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Klasseregels:
Ga voor de les naar het toilet.
Ga rustig zitten op je stoel.
Pak je boek, werkboek en schrift. 
Zet je tas op de grond.
Wacht in stilte tot de docent begint met de les.

Wat gebeurd er als je niet luistert?

1x krijg je een waarschuwing en een streep.
2x krijg je een taakstraf van de docent en een tweede streep.
3x groene kaart ophalen en nablijven.
Herhaling

16 februari SO woordenschat

Na de vakantie 4 maart formatieve toets regelmatige werkwoorden en het werkwoord estar.

Slide 1 - Slide

Tema (Onderwerp): Vivir (wonen)

El objetivo de hoy - Het leerdoel van vandaag:
Herhaling: Ik kan regelmatige werkwoorden vervoegen in het Spaans.

El programa de hoy - Het programma van vandaag.
  • Herhaling: Los verbos regulares (regelmatige werkwoorden).
  • Individueel & samen werken.
  • Blooket.
  • online oefenen in Verbuga




Slide 2 - Slide

Wat weet je nog van de vorige les?
Hoeveel vormen van het regelmatige werkwoord zijn er in het Spaans?

Slide 3 - Open question

Wat is de stam van het werkwoord 'hablar'?

Slide 4 - Open question

Wat is de stam van het werkwoord 'comer'?

Slide 5 - Open question

Wat is de stam van het werkwoord 'vivir'?

Slide 6 - Open question

Wat is de uitgang van het werkwoord die eindigen op ar?
A
werkwoorden die eindigen op ar, er en ir
B
o, as, a, amos, áis, an
C
o, es, e, emos, éis, en
D
o, es, e, imos, ís, en.

Slide 7 - Quiz

Repaso: los verbos regulares

Slide 8 - Slide

El present verbos regulares

Slide 9 - Slide

VERBOS regulares




Weet je nog? 
er zijn 3 regelmatige vervoegingen:  
werkwoorden met infinitief op -ar, -er, - ir


Slide 10 - Slide

Hoe werkt het?
  1.  Bekijk of het werkwoord eindigt op -ar, -er of -ir. 
  2.  Kijk in de zin om welke persoon het gaat. (yo, tú, él/ella/usted, nosotros, vosotros, ellos/ellas/ustedes
  3.  Vervoeg het werkwoord juist. 

Slide 11 - Slide

Checken
Schrijf de zinnen met de juiste vervoeging in je schrift.

1. Yo canto / cantas una canción.
2. Tú leo / lees un libro.
3. Nosotros vivimos/ viven en Holanda.
4. Ellos vendéis/ venden fruta.
5. Mis abuelos vivimos/ viven Hengelo.
6. Vosotros habláis / hablan holandés y español.

Slide 12 - Slide

Trabajo individual op je werkblad.
Maak de oefeningen van je werkblad individueel.
Gebruik je notities voor hulp.
Werk in stilte.
Klaar: Bespreek je antwoorden met je klasgenoot.
timer
10:00

Slide 13 - Slide

Blooket
Ga naar Blooket en vul de pincode in."

Slide 14 - Slide

Verbuga
1. Ga naar verbuga.eu (Spaans)
2. Kies in het linker rijtje de verbos: bailar, beber, buscar, comer,         escribir, hablar, leer, vivir.
3. Kies in het rechter rijtje de tijd: Presente
4. Oefen voor 5 minuten
timer
5:00

Slide 15 - Slide

Hebben we het doel behaald?
Yo ___________ (cantar) una canción.
Tú __________________ (leer) un libro.
Nosotros ____________ (vivir) en Holanda.
Ellos _____________ (vender) fruta.

Slide 16 - Slide

Huiswerk: Maak de oefeningen hieronder voor vrijdag. Verbos regulares (Regelmatige werkwoorden)
Vul de juiste werkwoordsvorm in van het werkwoord hablar (spreken).
1. Yo __________________ dos lenguas, español y holandés.
2. ¿Y tú, _____________________________ español?
3. Mis Tíos ____________________________ alemán.
4. La chica _______________________ muy bien francés
5. ¿Y vosotros, ________________________ español?
2. Nosotros ________________________ tres lenguas, pero ellos _______________cuatro lenguas, alemán, español, inglés y francés.
3. ¿Tú, __________________ holandés? Claro, yo _________________ holandés.
4. ¿Y ustedes, ______________________ marroquí? Ella sí, pero yo no.
timer
10:00

Slide 17 - Slide