Imparfait
Imparfait
Chapitre 0- départ
IMPARFAIT=> o.v.t.
onvoltooid verleden tijd
Aujourd'hui:
l' imparfait
Wanneer gebruiken we die?
Hoe maak je de imparfait?
Oefenen!
IMPARFAIT
(onvoltooid verleden tijd)
In het Nederlands is de o.v.t. Bijvoorbeeld:
lopen >> ik liep
hebben> ik had
gaan >> ik ging
etc. !
IMPARFAIT
je kunt deze tijd maken met een
een STAM + een UITGANG
STAM
begin met het werkwoord in de présent (tegenwoordige tijd)
en bedenk/zoek op: de NOUS-vorm
bijv. "nemen" -> prendre
-> nous prenons
haal daar -ons van af en je hebt de stam : pren-
HELE WERKWOORD
kijken - regarder
werken - travailler
vinden - trouver
nemen/pakken - prendre
!!!
zijn - être
NOUS-VORM
nous regardons
nous travaillons
nous trouvons
nous prenons
!!!
nous sommes
stam: ét-
vertaal: il avait
vertaal: nous étions
Combineer de personen met de juiste uitgangen van de imparfait
-ais
-ais
- ait
- ions
- iez
-aient
Je
Tu
il/elle/on
Nous
Vous
Ils / elles
Let op:
De verleden tijd van il y a =
Il y avait
il y a = er is / er zijn
il y avait = er was /er waren
Zet onderstaande zinnen in de imparfait
(in je hoofd, of op papier)
Je suis au concert.
Vous parlez anglais.
Elle a 15 ans.
Tu fais du sport?
"Zet onderstaande zinnen in de imparfait", réponses:
Je suis au concert. --> J'étais au concert.
Vous parlez anglais. --> Vous parliez anglais.
Elle a 15 ans. --> Elle avait 15 ans.
Tu fais du sport? --> Tu faisais du sport?
Quelques particularités
Étudier
nous étudi ons - wij studeerden: nous étudiions
Continuer
nous continu ons - nous continuions
Jouer
nous jou ons - zij speelden: ils/elles jouaient
Zet in de imparfait :
elle (travailler)
elle travaillais
elle travaillait
elle travaillerais
elle a travaillé
Zet in de imparfait on (avoir)
on avais
on avions
on avait
on avaient
Zet in de imparfait Je/j (être)
je sommais
j'était
j'étais
je serais
Zet in de imparfait mes parents (vouloir)
mes parents veulent
mes parents voulais
mes parents voulaient
mes parents veulaient
Koppel de persoonlijke voornaamwoorden aan het juiste werkwoord.
avait
parlais
habitions
faisaient
étais
achetiez
tu
nous
ils
vous
il
je
Et maintenant?
Ga naar VERBUGA.EU
In de linkerkolom: vinkje voor Passé Composé, Présent en Imparfait
Oefen met de volgende onregelmatige werkwoorden:
AVOIR – ÊTRE – FAIRE – PRENDRE
en met deze regelmatige werkwoorden:
AIMER- CHERCHER – DONNER – PARLER – REGARDER
Les devoirs (pour le prochain cours):
Faire: Supplément: exercices G, H (du supplément, Chapitre 0 départ)
Apprendre: Voca Le Français en Classe 1 et 2 (StudyGo)
vertaal Frans-Nederlands:
denk in stappen:
- van welk werkwoord komt deze stam?
- wat betekent dat werkwoord?
- wat staat hier dan in de verleden tijd?
vertaal: j'écoutais
vertaal: il allait
Questions ?
Les devoirs (pour le prochain cours):
Faire: Supplément: exercices G, H (Chapitre 0 départ)
Apprendre: Voca Le Français en Classe 1 et 2 (StudyGo)