TH3: Imparfait

Imparfait

1 / 37
next
Slide 1: Slide
New lesson editorFransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

This lesson contains 37 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min
Report this lesson

Items in this lesson

Imparfait

Chapitre 0- départ


IMPARFAIT=> o.v.t.

onvoltooid verleden tijd 




Aujourd'hui: 

l' imparfait


  • Wanneer gebruiken we die?

  •  Hoe maak je de imparfait?

  • Oefenen!

IMPARFAIT

(onvoltooid verleden tijd)

In het Nederlands is de o.v.t.  Bijvoorbeeld:

lopen >> ik liep

hebben> ik had

gaan >> ik ging

etc. !

IMPARFAIT

je kunt deze tijd maken met een


een STAM  +  een UITGANG





STAM

begin met het werkwoord in de présent (tegenwoordige tijd)

en bedenk/zoek op: de NOUS-vorm

bijv. "nemen" -> prendre

-> nous prenons 


haal daar -ons van af en je hebt de stam :   pren-

HELE WERKWOORD


kijken - regarder

werken - travailler 

vinden - trouver

nemen/pakken - prendre

!!!

zijn - être 

NOUS-VORM


nous regardons 
nous travaillons

nous trouvons
nous prenons
!!!

nous sommes 

stam: ét-

vertaal: il avait

vertaal: nous étions

Combineer de personen met de juiste uitgangen van de imparfait

-ais

-ais

- ait

- ions

- iez

-aient

Je

Tu

il/elle/on

Nous

Vous

Ils / elles

Let op:

De verleden tijd van il y a =

Il y avait


il y a = er is / er zijn

il y avait = er was /er waren

Zet onderstaande zinnen in de imparfait

(in je hoofd, of op papier)

Je suis au concert. 

Vous parlez anglais. 

Elle a 15 ans. 

Tu fais du sport? 

"Zet onderstaande zinnen in de imparfait", réponses:

Je suis au concert.    -->                        J'étais au concert.

Vous parlez anglais. -->                        Vous parliez anglais.

Elle a 15 ans.                 -->                        Elle avait 15 ans.

Tu fais du sport?         -->                        Tu faisais du sport?

Quelques particularités

Étudier

nous étudi ons -  wij studeerden: nous étudiions


Continuer

nous continu ons -  nous continuions


Jouer

nous jou ons - zij speelden: ils/elles jouaient

Zet in de imparfait :

elle (travailler)

A

elle travaillais

B

elle travaillait

C

elle travaillerais

D

elle a travaillé

Zet in de imparfait on (avoir)

A

on avais

B

on avions

C

on avait

D

on avaient

Zet in de imparfait Je/j (être)

A

je sommais

B

j'était

C

j'étais

D

je serais

Zet in de imparfait mes parents (vouloir)

A

mes parents veulent

B

mes parents voulais

C

mes parents voulaient

D

mes parents veulaient

Koppel de persoonlijke voornaamwoorden aan het juiste werkwoord.

avait

parlais

habitions

faisaient

étais

achetiez

tu

nous

ils

vous

il

je

Et maintenant?

Ga naar VERBUGA.EU

In de linkerkolom: vinkje voor Passé Composé, Présent en Imparfait

Oefen met de volgende onregelmatige werkwoorden:    

AVOIR – ÊTRE – FAIRE – PRENDRE 

en met deze regelmatige werkwoorden:

AIMER- CHERCHER – DONNER – PARLER – REGARDER 


Les devoirs (pour le prochain cours): 

Faire: Supplément: exercices  G, H (du supplément, Chapitre 0 départ)


Apprendre: Voca Le Français en Classe 1 et 2 (StudyGo)



vertaal Frans-Nederlands:

denk in stappen:

- van welk werkwoord komt deze stam?
- wat betekent dat werkwoord?

- wat staat hier dan in de verleden tijd?

vertaal: j'écoutais

vertaal: il allait

Questions ?

Les devoirs (pour le prochain cours): 

Faire: Supplément: exercices  G, H (Chapitre 0 départ)


Apprendre: Voca Le Français en Classe 1 et 2 (StudyGo)