Communicatie

Communiceren

1 / 23
next
Slide 1: Slide
New lesson editorMaatschappij & WelzijnBuitengewoon secundair onderwijsB-stroomType 4Opleidingsvorm 4Leerjaar 2

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min
Report this lesson

Items in this lesson

Communiceren

Waaraan denk je bij het woord communiceren?

Rollenspel

Werk per twee.


Leerling A probeert een gevoel uit te drukken zonder te spreken.

Leerling B raadt het gevoel.

Bespreking:


  1. Hoe wist je welk gevoel de andere persoon wilde tonen?

  2. Moet je altijd spreken om iets duidelijk te maken?

  3. Kun je iemand verkeerd begrijpen, ook als die persoon iets probeert duidelijk te maken?

Besluit:


We communiceren niet alleen met woorden.

Ook onze gezichtsuitdrukking, lichaamshouding, gebaren en stem spelen een rol.

Wat betekent communicatie?


Communicatie is het uitwisselen van informatie, gedachten, gevoelens of ideeën tussen mensen.

Communicatie kan bewust of onbewust gebeuren. Ze kan plaatsvinden door te spreken, te schrijven, gebaren te maken of gezichtsuitdrukkingen te tonen.


Voorbeelden:

  • Een begeleider vertelt een kind dat het tijd is om op te ruimen.

  • Een leerling steekt zijn hand op om een vraag te stellen.

  • Een oudere bewoner glimlacht wanneer een begeleider binnenkomt.

  • Een verzorgende schrijft informatie over een bewoner in het zorgdossier.

Twee soorten communicatie

Verbale communicatie


Communicatie met woorden, mondeling of schriftelijk.

Voorbeelden: praten, een bericht sturen, een brief schrijven of iets uitleggen.

Non-verbale communicatie


Communicatie zonder woorden, bijvoorbeeld via lichaamstaal.

Voorbeelden: glimlachen, knikken, oogcontact maken, fronsen of je armen kruisen.


Wat is goede communicatie?

Goede communicatie betekent dat mensen proberen elkaar duidelijk te begrijpen.


Dat lukt beter wanneer je:

  • duidelijk en verstaanbaar spreekt;

  • actief luistert;

  • rekening houdt met de andere persoon;

  • vragen stelt als iets niet duidelijk is;

  • controleert of de boodschap goed begrepen werd.

Het communicatiemodel

Wat loopt er hier mis?

Toepassingen op het communicatiemodel

Een begeleidster zegt tegen een kleuter: “Zet je speelgoed maar in de speelgoedbak.” De kleuter antwoordt: “Ja, dat doe ik.” Wie is de ZENDER?

Een begeleidster zegt tegen een kleuter: “Zet je speelgoed maar in de speelgoedbak.” De kleuter antwoordt: “Ja, dat doe ik.” Wie is de ONTVANGER?

Een begeleidster zegt tegen een kleuter: “Zet je speelgoed maar in de speelgoedbak.” De kleuter antwoordt: “Ja, dat doe ik.” Wat is het KANAAL?

Een begeleider geeft een kind instructies terwijl verschillende kinderen door elkaar praten.

  • Wat verstoort de communicatie?

  • Hoe kan de begeleider dit oplossen?

Toepassing in duo's

Casus: Een kind wil niet opruimen. De begeleidster legt rustig uit dat ze samen het speelgoed zullen opruimen. Het kind begint mee te helpen.


-> Bespreek met je klasgenoot de onderdelen van het communicatiemodel.

Geef een voorbeeld van ruis tijdens je werkplekleren in de kinderopvang?

Wat is je gevoel op het einde van deze les?