NT2 14 april

NT2 14 april
  • filmpje met een kijkvraag > over welke afdelingen zingen ze? 
  • Vandaag oefenen met woorden van werk.
  • invuloefening maken.
  • Klaar? Zelfstandig werken aan Taalcompleet.  
1 / 17
next
Slide 1: Slide
NT2PraktijkonderwijsLeerjaar 3

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson

NT2 14 april
  • filmpje met een kijkvraag > over welke afdelingen zingen ze? 
  • Vandaag oefenen met woorden van werk.
  • invuloefening maken.
  • Klaar? Zelfstandig werken aan Taalcompleet.  

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Video

Voorkennis testen
voorkennis = wat je zelf al weet
Ga naar www.lessonup.app
log in met de pincode
gebruik je eigen naam!

Slide 3 - Slide

Woorden die bij solliciteren en werk horen.

Slide 4 - Mind map

Wat betekent "de bedrijfsnaam"?

Slide 5 - Open question

Wat betekent vacature?
A
Dat je bijna vakantie hebt.
B
Dat je een prik krijgt
C
Dat er mensen worden gezocht om te werken.
D
Dat is de baas van een bepaalde afdeling.

Slide 6 - Quiz

Wat betekent "locatie"?

Slide 7 - Open question

Wat betekent dienstverband?
A
Hoeveel uur je gaat werken en of het tijdelijk of vast is.
B
Dat is speciaal verband voor als je op je werk gewond raakt.
C
Dat is een muziekband die bij een bedrijf in dienst is
D
Dat is als je avonddienst hebt.

Slide 8 - Quiz

Wat is een arbeidscontract?

Slide 9 - Open question

Wat is een salaris?
A
Dat is een merk van een auto.
B
Dat is de baas van de manager.
C
Dat is het geld dat je verdient met werk.
D
Dat is een soort belasting.

Slide 10 - Quiz

Fulltime betekent:
A
Dat je minder dan 40 uur werkt
B
Dat je 40 uur werkt in de week.

Slide 11 - Quiz

Wie is de werkgever?

Slide 12 - Open question

Parttime betekent:
A
Dat je 40 uur werkt in de week.
B
Dat je minder dan 40 uur werkt in de week.

Slide 13 - Quiz

Werken op oproepbasis betekent:
A
Dat je 40 uur per week werkt.
B
Dat je minder dan 40 uur per week werkt.
C
Je bepaalt samen met je baas wanneer en hoe vaak je werkt.

Slide 14 - Quiz

Wat betekent functie-eisen?
A
welk werk je gaat doen
B
Wat je moet kennen en kunnen

Slide 15 - Quiz

Wie is de werknemer?

Slide 16 - Open question

Wat betekent functieomschrijving of taakomschrijving?
A
Welk werk je gaat doen.
B
Wat je moet kennen of kunnen.

Slide 17 - Quiz