intro/ herhaling Quiz Duits leerjaar 3

Duits quiz


1 / 25
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvmbo k, havoLeerjaar 3

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Duits quiz


Slide 1 - Slide

Wat is in het Duits: "Hoe gaat het met je?"
A
Wie geht es du?
B
Wie geht es dir?
C
Wie geht es dich?

Slide 2 - Quiz

Heeft Duitsland een koning of koningin?
A
Ja!
B
Nein!

Slide 3 - Quiz

Waar staat dit bekende Stadion?
A
Berlin
B
München
C
Köln

Slide 4 - Quiz

Richtig oder falsch?
De maanden worden in het Duits met een Hoofdletter geschreven.
A
richtig
B
falsch

Slide 5 - Quiz

richtig oder falsch? "die-woorden" noemen we onzijdig.
A
richtig
B
falsch

Slide 6 - Quiz

"dürfen" betekent in het Nederlands:

Slide 7 - Open question

Wat is de juiste vorm?
Wir .... in der Schule nicht rauchen.
A
dürft
B
darf
C
dürfen

Slide 8 - Quiz

Wat zijn de kleuren van de Duitse vlag (van boven naar beneden)?
A
zwart-rood-geel
B
rood-zwart-geel
C
geel-zwart-rood

Slide 9 - Quiz

Wie spät ist es?
A
Es ist Viertel vor fünf.
B
Es ist Viertel vor vier.
C
Es ist fast vier Uhr.
D
Es ist Viertel nach vier.

Slide 10 - Quiz

Wie spät ist es?
A
Es ist Viertel nach neun.
B
Es ist Viertel vor neun.
C
Es ist fast zehn Uhr.
D
Es ist Viertel nach acht.

Slide 11 - Quiz

Er komt nu een sleepvraag..

Wat is de vertaling van de vraagwoorden? 

Slide 12 - Slide

hoe
waarom
waar
wanneer
wat
waarheen
wie
woher
warum
wo
wann
wer
wohin
was
wie
waarvandaan

Slide 13 - Drag question

Het Duitse voetbalteam wordt .. genoemd.
A
die Fußballspieler
B
die Mannschaft

Slide 14 - Quiz

Welke automerken komen uit Duitsland?
A
Audi, BMW, Porsche
B
Audi, Porsche, Renault
C
Volkswagen, BMW, Fiat

Slide 15 - Quiz

Wat is de oudste stad van Duitsland?
A
Oldenburg
B
Berlin
C
Trier
D
Stuttgart

Slide 16 - Quiz

Wie zie je op de achtergrond?
A
Steffi Graf
B
Angela Merkel
C
Claudia Pechstein
D
Helene Fischer

Slide 17 - Quiz

Hoeveel "Bundesländer" heeft Duitsland?
Tekst
A
12
B
14
C
16
D
10

Slide 18 - Quiz

Welke woorden schrijf je in het Duits met een Hoofdletter?
A
werkwoorden
B
bijvoeglijke naamwoorden
C
zelfstandige naamwoorden
D
bijwoorden

Slide 19 - Quiz

Welk snoepgoed komt uit Duitsland?
A
B
C
D

Slide 20 - Quiz

In welke maand start het "Oktoberfest"?

Slide 21 - Open question

Er komt nu een sleepvraag..
Hoe heten de feestdagen in het Duits?

Slide 22 - Slide

Pasen
Pinksteren
Kerst
Oud en nieuw
Pfingsten
Ostern
Weihnachten
Silvester

Slide 23 - Drag question

Op welk plaatje zie je: "Flammkuchen"?
A
B
C

Slide 24 - Quiz

Op welk plaatje zie je: "Lebkuchen"?
A
B
C
D

Slide 25 - Quiz