Werkwoorden op -er

Werkwoorden op-er: Les objectifs 
À la fin de la leçon(Aan het einde van deze les) ken/kun je: 

--> regelmatige Franse werkwoorden op -er herkennen in de tegenwoordige tijd. 
--> de regel van het vervoegen van de regelmatige werkwoorden op -er. 
1 / 26
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

Werkwoorden op-er: Les objectifs 
À la fin de la leçon(Aan het einde van deze les) ken/kun je: 

--> regelmatige Franse werkwoorden op -er herkennen in de tegenwoordige tijd. 
--> de regel van het vervoegen van de regelmatige werkwoorden op -er. 

Slide 1 - Slide

Regelmatige ww op -er
De meeste werkwoorden in het Frans eindigen op -ER
Bijvoorbeeld:
  • danser
  • travailler
  • donner
Bijna al deze werkwoorden worden op dezelfde manier vervoegd. Dit noemen we de regelmatige werkwoorden op-er. 

Slide 2 - Slide

De stam
De stam van het werkwoord maak je door -ER van het hele werkwoord af te halen. Later plak je hier de uitgangen achter...

Bijvoorbeeld:
parler --> parl
danser --> dans

Slide 3 - Slide

je       (ik)
+ e
tu     (jij)
+ es
il       (hij)
+ e
elle   (zij)
+ e
on    (men/we)
+ e
nous   (wij)
+ ons
vous   (jullie/u)
+ ez
ils     (zij, mnl)
+ ent
elles   (zij, vrl)
+ ent
UITGANGEN

van de 
werkwoorden
op

-ER

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

De uitgangen van regelmatige werkwoord op -er

Slide 6 - Slide

Wat is de stam van parler?

Slide 7 - Open question

Wat is de stam van marcher?

Slide 8 - Open question

Wat is de stam van danser?

Slide 9 - Open question

Wat is de stam van inviter?

Slide 10 - Open question

donner - tu ...
A
donner
B
donne
C
donnes
D
donnons

Slide 11 - Quiz

demander - nous ...
A
demandez
B
demandent
C
demandons
D
demande

Slide 12 - Quiz

manger - je ...
A
manger
B
mangez
C
manges
D
mange

Slide 13 - Quiz

danser - elle ...
A
dansons
B
danses
C
danse
D
dansez

Slide 14 - Quiz

parler - vous ...
A
parlez
B
parlons
C
parlent
D
parle

Slide 15 - Quiz

Sleep de uitgangen naar de juiste plek!

Je
Tu
Il
Nous
Vous
Ils
E
ES
E
ONS
EZ
ENT

Slide 16 - Drag question

Het onderwerp vervangen
Kim travaille.
Pierre trouve.
Kim et Pierre adorent la pizza.

Geen persoonlijke voornaamwoorden. 
Hoe weet je wat je moet gebruiken?

Slide 17 - Slide

Het onderwerp vervangen
Onderwerp enkelvoud? > il / elle
Onderwerp meervoud > ils / elles

Par exemple:
Jean et Fleur _______ (détester) les épinards.
onderwerp = Jean et Fleur = meervoud > ils > -ent
Jean et Fleur détestent les épinards.

Slide 18 - Slide

Wat is het onderwerp?
Les filles sont au collège.
A
les filles
B
sont
C
au collège

Slide 19 - Quiz

Is dat enkelvoud of meervoud?
A
Enkelvoud
B
Meervoud

Slide 20 - Quiz

Hoe vervoeg je 'travailler' dan in deze zin?
Les filles _____ (travailler) au supermarché.
A
travaille
B
travailles
C
travaillez
D
travaillent

Slide 21 - Quiz

Vul de juiste vorm van het ww in.
Vic et Pim _____ (habiter) à Borculo.

Slide 22 - Open question

Vul de juiste vorm van het ww in.
Kim et son frère _____ (adorer) les fraises.

Slide 23 - Open question

Vul de juiste vorm van het ww in.
Ma copine _____ (détester) les bananes.

Slide 24 - Open question

Vul de juiste vorm van het ww in.
Ma famille _____ (chercher) une nouvelle maison.

Slide 25 - Open question

Les devoirs
  • Fais les exercices 30ce + 31 + 32
  • Apprends vocabulaire E + F, page 89 

Slide 26 - Slide