Zinsontleding thema 7 les 19

Quiz zinsontleding 
1 / 22
next
Slide 1: Slide
TaalBasisschoolGroep 8

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slide.

Items in this lesson

Quiz zinsontleding 

Slide 1 - Slide

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin:

Elke vrijdagavond hang ik lekker op de bank
A
ik
B
hang
C
op de bank
D
elke vrijdagavond

Slide 2 - Quiz

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin:

Sturen jullie ook altijd verjaardagskaarten?
A
jullie
B
verjaardagskaarten
C
Sturen
D
altijd

Slide 3 - Quiz

Wat het gezegde in de zin?

Het onverwachte ongeluk was goed afgelopen.
A
was
B
afgelopen
C
aas afgelopen
D
was goed afgelopen

Slide 4 - Quiz

Wat is het gezegde in de onderstaande zin?

De komende jaren zal de temperatuur stijgen.
A
zal
B
stijgen
C
zal gaan stijgen
D
zal stijgen

Slide 5 - Quiz

Wat is in de onderstaande zin het gezegde?

Het publiek moest lang op de huldiging wachten.
A
moest
B
wachten
C
moest wachten
D
de huldiging

Slide 6 - Quiz

Wat is het onderwerp in de volgende zin:

Heeft Max Verstappen de wedstrijd gewonnen?
A
Max Verstappen
B
heeft
C
de wedstrijd
D
gewonnen

Slide 7 - Quiz

Wat is het onderwerp in de volgende zin:

Gisteravond hebben veel mensen naar de voetbalwedstrijd gekeken.
A
Gisteravond
B
hebben gekeken
C
de voetbalwedstrijd
D
veel mensen

Slide 8 - Quiz

Wat is het onderwerp van de zin?

De appels liggen in de fruitmand naast de bananen.
A
De bananen
B
de appels en de bananen
C
in de fruitmand naast de bananen
D
de appels

Slide 9 - Quiz

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin:

Onder de tafel heeft mijn vader een cadeautje verstopt voor mijn neefje.
A
onder de tafel
B
mijn vader
C
een cadeautje
D
voor mijn neefje

Slide 10 - Quiz

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin:

Gisteravond hebben mijn zus en ik een appeltaart gemaakt.
A
gisteravond
B
mijn zus en ik
C
gemaakt
D
een appeltaart

Slide 11 - Quiz

Wat is het meewerkend voorwerp in de volgende zin:
De kassière geeft aan de vriendelijke klant de spaarzegels.
A
de spaarzegels
B
aan de vriendelijke klant
C
de vriendelijke klant
D
De kassière

Slide 12 - Quiz

Wat is het meewerkend voorwerp in de volgende zin:
Volgende week ga ik voor mijn vrienden een zak snoep kopen
A
Volgende week
B
een zak snoep
C
ga kopen
D
voor mijn vrienden

Slide 13 - Quiz

Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin?

Deze winkel geeft de kinderen cadeau’s.
A
de kinderen
B
cadeau's
C
Deze winkel
D
Geeft

Slide 14 - Quiz

Wat is de bepaling van plaats in de volgende zin:
Tussen de bomen hangt de kleurrijke hangmat.
A
de kleurrijke hangmat
B
hangt
C
tussen de bomen
D
is er niet

Slide 15 - Quiz

Zinsontleding
pv/gez
ow
lv
Nick
heeft
vanmorgen
nieuwe oordopjes
gekocht.

Slide 16 - Drag question

Zinsontleding
pv/gez
ow
lv
Geef
jij
geld
aan de collecte?

Slide 17 - Drag question

Zinsontleding
pv/gez
ow
lv
Ik
heb
deze lockdown
zeven series
gezien.

Slide 18 - Drag question

Persoonsvorm
Onderwerp
Gezegde
Lijdend
voorwerp
Meewerkend
voorwerp
De scheidsrechter
heeft
een rode kaart
aan Mathijs de Ligt
gegeven.

Slide 19 - Drag question

Persoonsvorm
Onderwerp
Gezegde
Lijdend
voorwerp
Meewerkend
voorwerp
Die aardige jongen
heeft
een bos bloemen
aan het meisje
gegeven.

Slide 20 - Drag question

Persoonsvorm
Onderwerp
Gezegde
Lijdend
voorwerp
Meewerkend
voorwerp
De juf
heeft
ons
lekkere taart
gegeven.

Slide 21 - Drag question

Persoonsvorm
Onderwerp
Gezegde
Lijdend
voorwerp
Meewerkend
voorwerp
De dokter
heeft
aan de patiënt
pillen
gegeven.

Slide 22 - Drag question