De seizoenen

De seizoenen
1 / 26
next
Slide 1: Slide
NT2Middelbare schoolvmbo gLeerjaar 1-3

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

De seizoenen

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

opdracht 1
Luister naar het liedje.
Welke woorden hoor jij?

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Slide 3 - Video

This item has no instructions

Slide 4 - Video

This item has no instructions

de seizoenen

Slide 5 - Mind map

Welke woorden ken je al over de seizoenen?
de winter
In de winter is het koud buiten.

Het kan sneeuwen en hagelen. 

Maanden: december, januari en februari

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

de lente
  • lammetjes, vogels leggen eieren
  • bloemen beginnen te bloeien.
  • maanden: maart, april, mei

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

de zomer
Warm weer, lange vakantie
maanden: juni, juli, augustus

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

de herfst
Bladeren vallen van de boom, regen, het wordt kouder
Maanden: september, oktober en november

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

mei
januari
augustus
november
april
december
juni
maart
oktober
februari
juli
september

Slide 10 - Drag question

Maanden van het jaar laten noemen. Daarna in de goede volgorde zetten.
Bovenaan beginnen met december.
Welke maand hoort bij welk seizoen?
januari
februari
maart
april
mei
juni
juli
augustus
september
october
november
december

Slide 11 - Drag question

Eerst de plaatjes bespreken.
Welk seizoen komt na de zomer?
A
lente
B
winter
C
herfst

Slide 12 - Quiz

This item has no instructions

Wat voor weer is het vaak in de herfst?
A
Het regent en de zon schijnt
B
De zon schijnt
C
Er is mist
D
Het regent en er is mist

Slide 13 - Quiz

This item has no instructions

bewolkt
mist/
mistig
zonnig
ijs 
(vriezen)

Slide 14 - Drag question

This item has no instructions

In de winter zijn de bomen kaal.
Ze hebben geen bladeren.
A
waar
B
niet waar

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions

Wat doen de vogels in de lente?
A
Ze maken een nest en leggen een ei
B
Ze slapen
C
Ze leggen een ei
D
Ze gaan naar een warm land

Slide 16 - Quiz

This item has no instructions

Wat doen de mensen in de zomer als het mooi weer is?
A
wandelen
B
fietsen
C
zwemmen
D
wandelen, fietsen en zwemmen

Slide 17 - Quiz

This item has no instructions

Zinnen maken: hoe doe ik dat?
Werkwoorden in de tegenwoordige tijd
Bijvoorbeeld werken

Ik werk 
Je of jij  werkt  + t
Hij werkt  + t)
Zij/ jullie/ wij  werken  meervoud


Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Jullie ...... nu les van mevrouw Scheltens.
A
heb
B
hebt
C
heeft
D
hebben

Slide 19 - Quiz

This item has no instructions

zien
Ik .............een grote stad.

Slide 20 - Open question

This item has no instructions

Die jongen ..... mijn beste vriend.
A
ben
B
bent
C
is
D
zijn

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions

zitten
Ik ...... op ISK Onze Wereld

Slide 22 - Open question

This item has no instructions

Welke vorm van het werkwoord past er in deze zin?

De jongens .... een potje voetbal.
A
spelen
B
speel
C
speelde
D
speelt

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions

Slide 24 - Slide

Eerst bespreken wat er allemaal op de plaat te zien is. Welke werkwoorden kom je tegen: wat doen de mensen op de plaat?
Maak 1 zin over de tekening

Slide 25 - Open question

This item has no instructions

Slide 26 - Slide

This item has no instructions