les 12 Schooltaalwoorden

Schooltaalwoorden helder uitgelegd!

1 / 31
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNT2ISK

This lesson contains 31 slides, with text slides.

Items in this lesson

Schooltaalwoorden helder uitgelegd!

Planning

1e uur:

leeskwartier

weektaak (huiswerk) controleren en nakijken


2e uur:
Schooltaalwoorden van vorige week oefenen


3e en 4e uur:

grammatica met mevrouw Ans


5e uur:

Opdracht met nieuwe schooltaalwoorden


Leerdoel van deze les

Aan het eind van deze les kun je vijftien veelgebruikte schooltaalwoorden herkennen, uitleggen en toepassen in een zin.

Flash cards spel 1

In groepjes van +/- 3

Gebruik een stapel flashcards.


1 persoon leest de betekenis van het woord voor.

De anderen moeten zeggen welk woord het is.


Nu gaat iemand anders voorlezen.


Ga door tot alle kaartjes op zijn.


7

minute

00

second

Flash cards spel 2


Lees nu alleen het woord voor.




De anderen moeten uitleggen wat het woord betekent.


Ga door tot alle kaartjes op zijn.


7

minute

00

second

Flash cards spel 3

1 persoon pakt een kaartje.


Schrijf samen een zin met het woord.


10

minute

00

second

Zelfstandig werken

Schooltaalwoorden van deze week

  1. schematisch

  2. aantreffen

  3. benoemen

  4. verhelderen

  5. ordenen

  6. uitvoeren

  7. afstemmen

  8. in te zetten

  9. signaleren

  10. toelichten.

  11. onderscheiden

  12. vaststellen

  13. afleiden

  14. onderling

  15. uiteindelijk

Schrijf de woorden in je schrift.

Leren werken met informatie

In de onderbouw leren leerlingen steeds beter omgaan met informatie uit verschillende bronnen. Daarbij is het belangrijk dat zij informatie niet alleen lezen, maar ook schematisch kunnen weergeven. Een schema helpt om hoofd- en bijzaken te ordenen en maakt complexe informatie overzichtelijk.

Bij het bestuderen van een tekst kun je belangrijke begrippen aantreffen die uitleg nodig hebben. Het is dan verstandig om deze begrippen te benoemen en vervolgens de betekenis te verhelderen. Door informatie logisch te ordenen, ontstaat er meer inzicht in het onderwerp.

Wanneer leerlingen een opdracht moeten uitvoeren, is het belangrijk dat zij hun aanpak goed afstemmen op het doel van de taak. Soms is het nodig om voorbeelden in te zetten om een uitleg duidelijker te maken. Tijdens dit proces kan een docent fouten signaleren en de leerling vragen om zijn antwoord verder te toelichten.

Door informatie te vergelijken, leren leerlingen verschillen onderscheiden. Op basis van gegevens kunnen zij conclusies trekken en vaststellen wat de belangrijkste punten zijn. Uit grafieken en tabellen kunnen leerlingen vaak trends afleiden, vooral wanneer de informatie overzichtelijk is weergegeven.

In groepsopdrachten bespreken leerlingen hun ideeën vaak onderling. Daarbij kan het gebeuren dat zij het niet meteen eens zijn, maar uiteindelijk komen zij meestal tot een gezamenlijk antwoord dat goed onderbouwd is.

Opdracht 1: Zoek de woorden in de tekst en markeer ze.

Leren werken met informatie

In de onderbouw leren leerlingen steeds beter omgaan met informatie uit verschillende bronnen. Daarbij is het belangrijk dat zij informatie niet alleen lezen, maar ook schematisch kunnen weergeven. Een schema helpt om hoofd- en bijzaken te ordenen en maakt complexe informatie overzichtelijk.

Bij het bestuderen van een tekst kun je belangrijke begrippen aantreffen die uitleg nodig hebben. Het is dan verstandig om deze begrippen te benoemen en vervolgens de betekenis te verhelderen. Door informatie logisch te ordenen, ontstaat er meer inzicht in het onderwerp.

Wanneer leerlingen een opdracht moeten uitvoeren, is het belangrijk dat zij hun aanpak goed afstemmen op het doel van de taak. Soms is het nodig om voorbeelden in te zetten om een uitleg duidelijker te maken. Tijdens dit proces kan een docent fouten signaleren en de leerling vragen om zijn antwoord verder te toelichten.

Door informatie te vergelijken, leren leerlingen verschillen onderscheiden. Op basis van gegevens kunnen zij conclusies trekken en vaststellen wat de belangrijkste punten zijn. Uit grafieken en tabellen kunnen leerlingen vaak trends afleiden, vooral wanneer de informatie overzichtelijk is weergegeven.

In groepsopdrachten bespreken leerlingen hun ideeën vaak onderling. Daarbij kan het gebeuren dat zij het niet meteen eens zijn, maar uiteindelijk komen zij meestal tot een gezamenlijk antwoord dat goed onderbouwd is.

Slide titel

a. aan het einde, na alles wat is gebeurd of besproken.
b. dingen op een goede volgorde zetten of in groepen plaatsen.
c. duidelijk maken, zodat iemand het beter begrijpt.
d. tussen elkaar, bijvoorbeeld als leerlingen iets samen bespreken.
e. opmerken dat er iets goed of fout gaat.
f. gebruiken om iets duidelijker of beter te maken.
g. vinden of tegenkomen in een tekst of opdracht.
h. doen wat er gevraagd wordt in een opdracht of taak.
i. op een duidelijke manier tekenen of tekenen in een schema, zodat je makkelijk ziet wat belangrijk is.
j. verschillen zien tussen twee of meer dingen.
k. een woord zeggen bij iets, bijvoorbeeld een begrip of een onderdeel van een schema.
l. zeker weten of bepalen wat iets is.
m. uitleggen of extra informatie geven zodat het begrijpelijk wordt.
n. zorgen dat iets past bij het doel of bij iemand anders.
o. informatie uit een tekst of grafiek gebruiken om een conclusie te maken.

Opdracht 2: Zoek de juiste betekenis bij de woorden.

💡Tip: Lees de zin met het woord goed, lees ook de zin ervoor en de zin erna.

Slide titel

a. aan het einde, na alles wat is gebeurd of besproken – uiteindelijk
b. dingen op een goede volgorde zetten of in groepen plaatsen – ordenen
c. duidelijk maken, zodat iemand het beter begrijpt – verhelderen
d. tussen elkaar, bijvoorbeeld als leerlingen iets samen bespreken – onderling
e. opmerken dat er iets goed of fout gaat – signaleren
f. gebruiken om iets duidelijker of beter te maken – in te zetten
g. vinden of tegenkomen in een tekst of opdracht – aantreffen
h. doen wat er gevraagd wordt in een opdracht of taak – uitvoeren
i. op een duidelijke manier tekenen of weergeven in een schema, zodat je makkelijk ziet wat belangrijk is – schematisch
j. verschillen zien tussen twee of meer dingen – onderscheiden
k. een woord zeggen bij iets, bijvoorbeeld een begrip of een onderdeel van een schema – benoemen
l. zeker weten of bepalen wat iets is – vaststellen
m. uitleggen of extra informatie geven zodat het begrijpelijk wordt – toelichten
n. zorgen dat iets past bij het doel of bij iemand anders – afstemmen
o. informatie uit een tekst of grafiek gebruiken om een conclusie te maken – afleiden

Opdracht 2: Zoek de juiste betekenis bij de woorden.

Zelfstandig werken

1. schematisch

Betekenis: In stappen of in een overzicht laten zien.

Voorbeeldzin: De docent legde het proces schematisch uit op het bord.

Woordwolk: schema, overzicht, duidelijk.

2. aantreffen

Betekenis: Iets ergens vinden.


Voorbeeldzin: In de bron tref je belangrijke informatie aan.



Woordwolk: vinden, ontdekken, locatie.

3. uitvoeren

Betekenis: Een plan of opdracht doen.

Voorbeeldzin: De leerlingen voeren het experiment uit.


Woordwolk: doen, toepassen, opdracht, praktijk.

4. inzetten

Betekenis: Iets gebruiken om een doel te bereiken.

Voorbeeldzin: De leerling zette voorbeelden in om zijn antwoord te versterken.

Woordwolk: gebruiken, toepassen, doel, strategie, middel.

5. signaleren

Betekenis: Opmerken dat iets gebeurt.

Voorbeeldzin: De docent signaleerde een fout in de redenering.

Woordwolk: zien, opmerken, herkennen, observeren.

6. toelichten

Betekenis: Extra uitleg geven.


Voorbeeldzin: Kun je je antwoord kort toelichten?


Woordwolk: uitleg geven, verduidelijken, verklaren.

7. ordenen

Betekenis: Dingen in een logische volgorde zetten.


Voorbeeldzin: De leerling ordende de informatie per alinea.


Woordwolk: structuur, volgorde, overzicht.

8. vaststellen

Betekenis: Beslissen dat iets zo is.


Voorbeeldzin: De docent stelde vast dat het antwoord correct was.


Woordwolk: bepalen, besluiten, resultaat, concluderen.

9. onderscheiden

Betekenis: Verschil zien tussen dingen.

Voorbeeldzin: Je moet hoofd- en bijzaken onderscheiden.


Woordwolk: verschil, vergelijken, scheiden, herkennen.

10. benoemen

Betekenis: Iets met woorden zeggen of aanwijzen.


Voorbeeldzin: Benoem twee oorzaken van deze gebeurtenis.


Woordwolk: noemen, aanduiden, formuleren, uitleg.

11. afstemmen

Betekenis: Iets aanpassen aan iets anders.

Voorbeeldzin: De docent stemt het niveau af op de klas.


Woordwolk: aanpassen, passend, rekening houden, afwegen.

12. verhelderen

Betekenis: Iets duidelijker maken.


Voorbeeldzin: Het voorbeeld verheldert de uitleg.


Woordwolk: duidelijk, inzichtelijk, uitleg, helder.

13. uiteindelijk

Betekenis: Na alles wat ervoor kwam.


Voorbeeldzin: Uiteindelijk kwam de klas tot dezelfde conclusie.


Woordwolk: eind, slot, resultaat, conclusie.

14. afleiden

Betekenis: Informatie halen uit wat je ziet of leest.


Voorbeeldzin: Uit de grafiek kun je trends afleiden.


Woordwolk: concluderen, interpreteren, begrijpen.

15. onderling

Betekenis: Met elkaar; tussen mensen of dingen.


Voorbeeldzin: De leerlingen bespraken de antwoorden onderling.

Woordwolk: samen, met elkaar, groep, interactie.

Waarom zijn deze woorden belangrijk?

Met schooltaalwoorden begrijp je instructies, opdrachten en teksten sneller en beter.

Test jezelf!

Opdracht

Kies drie schooltaalwoorden en gebruik deze in een eigen zin.

Kijk nog eens naar de voorbeeldzinnen voor inspiratie.

Tip

Reflectie

Welke schooltaalwoorden kende je al? Welke waren nieuw voor jou?