Voor een voetganger staat bij een VOP een voetgangerslicht, waarin een geel knipperlicht is aangebracht. Wat moet een bestuurder doen die deze VOP nadert?
A
Hij mag doorrijden, omdat het verkeerslicht dat voor hem geldt op groen staat.
B
Hij moet nu stoppen, omdat verkeerslichten voor verkeerstekens gaan.
C
Hij moet stoppen, omdat de voetganger gebruik maakt van een VOP.
1 / 60
next
Slide 1: Quiz
RijopleidingBeroepsopleiding
This lesson contains 60 slides, with interactive quizzes.
Lesson duration is: 60 min
Report this lesson
Items in this lesson
Voor een voetganger staat bij een VOP een voetgangerslicht, waarin een geel knipperlicht is aangebracht. Wat moet een bestuurder doen die deze VOP nadert?
A
Hij mag doorrijden, omdat het verkeerslicht dat voor hem geldt op groen staat.
B
Hij moet nu stoppen, omdat verkeerslichten voor verkeerstekens gaan.
C
Hij moet stoppen, omdat de voetganger gebruik maakt van een VOP.
Slide 1 - Quiz
Mag u na dit bord aan de linkerzijde een auto laten stilstaan of parkeren?
A
Nee, er mag niet worden geparkeerd, doch laten stilstaan mag wel.
B
Nee, het verbod geldt voor het gehele gebied.
C
Ja, het verbod geldt slechts voor de rechterzijde van de wegen binnen het gebeid.
Slide 2 - Quiz
Op welke plaats geldt een parkeerverbod?
A
Langs een fietssuggestiestrook.
B
Langs een onderbroken gele streep.
C
Op de rijbaan van een voorrangsweg.
Slide 3 - Quiz
Voor wie geldt bord C7 RW 1990?
A
Voor bestuurders van vrachtauto's.
B
Voor bestuurders van vrachtauto's en autobussen.
C
Voor bestuurders van vrachtauto's en lijnbussen.
Slide 4 - Quiz
Wie is er strafrechtelijk aansprakelijk wanneer een bromfietspassagier van 14 jaar de verplichte helm niet draagt?
A
Bieden.
B
De bromfiets bestuurder.
C
De bromfiets passagier.
Slide 5 - Quiz
Wie hoeven niet rechts te houden?
A
Een fietser en een snorfietser, zij mogen naast elkaar rijden.
B
Een fietser en een bestuurder van een bakfiets, zij mogen naast elkaar rijden.
C
Twee ruiters mogen naast elkaar rijden mits zij het overige verkeer niet hinderen.
Slide 6 - Quiz
Een gesleept motorvoertuig is :
A
Een aanhangwagen ingevolge RVV 1990.
B
Een aanhangwagen ingevolge WVW 1994.
C
Geen van beiden.
Slide 7 - Quiz
Wat is een fietsstrook?
A
Door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan waarop afbeeldingen van een fiets zijn aangebracht.
B
Door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de weg waarop afbeeldingen van een fiets zijn aangebracht.
C
Door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de weg.
Slide 8 - Quiz
Geldt dit bord ook voor een ruiter?
A
Ja.
B
Ja, maar het verbod geldt niet indien de ruiter de berm volgt.
C
Nee.
Slide 9 - Quiz
Wie moet het trottoir gebruiken?
A
Een bestuurder van een gehandicaptenvoertuig.
B
Iemand die naast zijn motorfiets loopt met in werking zijnde motor.
C
Iemand die een paard aan een teugel meevoert.
Slide 10 - Quiz
Wie mogen een militaire colonne niet doorsnijden?
A
Bestuurders.
B
Bestuurders van voertuigen.
C
Weggebruikers.
Slide 11 - Quiz
Wanneer mag in file naast elkaar worden gereden?
A
Als de rijbaan in rijstroken is verdeeld.
B
Als de rijbaan door een deelstreep in rijstroken is verdeeld.
C
Als de rijbaan door een asstreep in rijstroken is verdeeld.
Slide 12 - Quiz
Geldt artikel 19 RVV, (tot stilstand brengen binnen de af stand waarover hij de weg kan overzien... etc.) ook voor fietsers?
A
Nee, alleen voor bestuurders van motorvoertuigen.
B
Nee, alleen voor bestuurders van motorrijtuigen.
C
Ja.
Slide 13 - Quiz
Wat voor wegwijzer is dit?
A
Lage beslissingswegwijzer.
B
Hoge beslissingswegwijzer.
C
Voorwegwijzer.
Slide 14 - Quiz
Wat is een rijbaan?
A
Elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden en de fiets/bromfietspaden.
B
Elk voor voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden en de fiets/bromfietspaden.
C
Elk voor rijdende motorvoertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden en de fiets/bromfietspaden.
Slide 15 - Quiz
Welk voertuig valt onder het begrip 'brommobiel' volgens het RW 1990.
A
Een bromfiets met een gesloten carrosserie.
B
Een bromfiets met een gesloten carrosserie op meer dan 2 wielen.
C
Een vierwielig motorrijtuig met een benzinemotor, waarvan de ledige massa minder bedraagt dan 350KG.
Slide 16 - Quiz
Wie mogen 's nachts groot licht voeren?
A
Alle bestuurders mits u niemand hindert.
B
Bromfietsers en bestuurders van wagens.
C
Snorfietsers, en bestuurders van gehandicaptenvoertuigen.
Slide 17 - Quiz
Wanner mag je 's nachts geen groot licht voeren?
A
Bij het volgen van een andere bestuurder.
B
Binnen de bebouwde kom.
C
In combinatie met het voeren van dimverlichting.
Slide 18 - Quiz
Waar is het verboden een stilstaande tram rechts in te halen als aan die zijde passagiers in- of uitstappen?
A
Alleen binnen de bebouwde kom.
B
Alleen buiten de bebouwde kom.
C
Zowel binnen als buiten de bebouwde kom.
Slide 19 - Quiz
Wat is de betekenis van dit bord?
A
Stop, verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg.
B
Stop, nadering voorrangsweg,
-kruising of splitsing.
C
Verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg.
Slide 20 - Quiz
Voor wie geldt dit bord?
A
Voor alle bestuurders van voertuigen.
B
Voor alle bestuurders.
C
Voor alle weggebruikers.
Slide 21 - Quiz
Waar moet een colonne militairen te voet na zonsondergang verlichting voeren?
A
Het trottoir binnen de bebouwde kom.
B
Het trottoir buiten de bebouwd kom.
C
De rijbaan binnen de bebouwde kom.
Slide 22 - Quiz
Welke verlichting moeten wagens bij nacht voeren?
A
Dim- of grootlicht.
B
Voor- en achterlicht.
C
Geen verlichting als zij goed zichtbare retroreflectoren.
Slide 23 - Quiz
Een bestuurder van een brommobiel sleept met zijn voertuig een driewielige brombakfiets. Hoeveel mag de maximale tussenruimte tussen beide voertuigen bedragen?
A
2.50 meter.
B
5 meter.
C
Dit is niet bepaald.
Slide 24 - Quiz
Wat betekent deze aanwijzing?
A
Algemeen stopteken.
B
Opletten voor verkeer in stopgezette richtingen.
C
Stopteken voor het verkeer dat de verkeer dat de verkeersregelaar van achteren nadert.
Slide 25 - Quiz
Wie mogen een kruispunt niet blokkeren?
A
Bestuurders.
B
Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig.
C
Weggebruikers.
Slide 26 - Quiz
Wie mogen een fietsstrook met een doorgetrokken streep niet gebruiken?
A
Snorfietsers.
B
Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig.
C
Bromfietsers.
Slide 27 - Quiz
Wie moeten bestuurders van een buitenlandse touringcar, die bij een bushalte binnen de bebouwde kom aangeeft dat hij wil wegrijden, niet voor te laten gaan?
A
Bestuurders van een militaire colonne.
B
Bestuurders van een politievoertuig.
C
Bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een uitvaartstoet te voet.
Slide 28 - Quiz
Een trambestuurder wil naar links afslaan om de remise (tramstalling) in te rijden. Moeten de hem tegemoetkomende bestuurders de tram voor laten gaan?
A
Ja, want de tram moet bij het afslaan altijd voor worden gelaten door tegemoetkomende bestuurders.
B
Ja, want de tram moet bij voorrang.
C
Nee.
Slide 29 - Quiz
Welke verlichting mogen bestuurders van een motorvoertuig extra voeren naast de voorgeschreven verlichting?
A
Een bermlicht, breedstralers en mistlichten.
B
Een richtlicht, markeringslichten en bermlicht.
C
Mistlichten voor en achter en verstralers.
Slide 30 - Quiz
Wie mogen een fietsstrook met een doorgetrokken streep gebruiken?
A
Fietsers, snorfietsers en bromfietsers.
B
Fietsers, bestuurders van gehandicaptenvoertuigen en voetgangers.
C
Snorfietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig.
Slide 31 - Quiz
Wie mogen vlak voor of op een V.O.P. niet worden ingehaald?
A
Bestuurders.
B
Bestuurders van voertuigen.
C
Bestuurders van motorvoertuigen.
Slide 32 - Quiz
Op welke plaats is het verboden om stil te staan met een personenauto?
A
Bij een bushalte naast de geblokte markering.
B
Op de rijbaan van een voorrangsweg buiten de bebouwde kom.
C
Voor een uit rit.
Slide 33 - Quiz
Wat is de maximumsnelheid voor een gehandicaptenvoertuig, welke buiten de bebouwde kom de rijbaan volgt?
A
30 km/uur.
B
40 km/uur.
C
45km/uur.
Slide 34 - Quiz
Geldt dit bord ook voor een door voetgangers gevormde optocht?
A
Nee.
B
Ja, behalve als zij gebruik maken van het trottoir of voetpad.
C
Ja.
Slide 35 - Quiz
Wat is een bus strook?
A
Een rijbaan waarop het woord 'BUS' of 'LIJNBUS' is aangebracht.
B
Een rijbaan waarop het woord 'BUS' is aangebracht.
C
Geen van beiden.
Slide 36 - Quiz
Wat is de betekenis van dit bord?
A
Gevaarlijke bochten, eerst naar rechts.
B
S-bocht(en), eerst naar links.
C
S-bocht(en), eerst naar rechts.
Slide 37 - Quiz
Wat is een militaire colonne?
A
Een aantal zich achter elkaar bevindende militaire motorvoertuigen.
B
Een groep militairen te voet die een marscolonne vormt.
C
Beide antwoorden zijn fout.
Slide 38 - Quiz
Wanneer moet ik rechts inhalen?
A
Als ik een tram wil inhalen.
B
Als de bestuurder voor mij te kennen heeft gegeven links af te willen slaan en links heeft voorgesorteerd.
C
Als ik rechts van een blokmarkering rijdend een links van de blokmarkering rijdende bestuurder wil inhalen.
Slide 39 - Quiz
Waar moet, indien dit nodig is, bij een personenauto een gevarendriehoek worden geplaats?
A
Alleen binnen de bebouwde kom.
B
Zowel binnen als buiten de bebouwde kom.
C
Alleen buiten de bebouwde kom.
Slide 40 - Quiz
Welke bestuurders mogen een autosnelweg volgen?
A
Bestuurder van een gemotoriseerd voertuig die minimaal 50 km/h kan rijden.
B
Bestuurder van een vrachtauto die in verband met zijn lading 50 km/h kan rijden.
C
Bestuurder van een motor met zijspanwagen die 90 km/h rijdt.
Slide 41 - Quiz
Wat is de betekenis van dit bord?
A
Aantal doorgaande rijbanen.
B
Aantal doorgaande rijstroken.
C
Voorsorteren.
Slide 42 - Quiz
Wat is de betekenis van dit bord?
A
Tegenliggers.
B
Inrijden toegestaan.
C
Bestuurders uit tegengestelder richting moeten verkeer dat van deze richting nadert voor laten gaan.
Slide 43 - Quiz
Geldt dit bord ook voor bestuurders van een gehandicaptenvoertuig?
A
Ja, want een gehandicaptenvoertuig volgt de regels die gelden voor voetgangers.
B
Ja, alleen voor een gehandicaptenvoertuig zonder motor, want die volgt de regels voor voetgangers.
C
Ja, indien het een gehandicaptenvoertuig met motor betreft dat gebruik maakt van het trottoir.
Slide 44 - Quiz
Geldt dit bord ook voor een snorfietser?
A
Ja, want een snorfietser volgt de regels die gelden voor bromfietsers.
B
Ja, want een snorfietser volgt de regels die gelden voor fietsers.
C
Nee, want de snorfietser wordt niet genoemd.
Slide 45 - Quiz
Wat betekent bijgaande aanwijzing gegeven door een verkeersregelaar?
A
Stopteken voor het verkeer dat de verkeersregelaar van voren nadert.
B
Stopteken voor het verkeer dat de verkeersregelaar van achteren nadert.
C
Stopteken voor het verkeer dat de verkeersregelaar van rechts nadert.
Slide 46 - Quiz
Waar geldt voor een brommobiel een maximumsnelheid van 45 km/h?
A
Binnen de bebouwde kom.
B
Buiten de bebouwde kom.
C
Zowel binnen als buiten de bebouwde kom.
Slide 47 - Quiz
Een bestuurder van een personenauto wil op een kruispunt links afslaan. Hoe kan hij dit kenbaar maken?
A
Door richting aan te geven met zijn arm.
B
Door richting aan te geven met de richtingaanwijzer.
C
Door richting aan te geven met de richtingaanwijzer of met zijn arm.
Slide 48 - Quiz
Welke antwoord is fout?
A
Een militair colonne hoeft voetgangers die bij een VOP oversteken niet voor te laten gaan.
B
Een militair colonne hoeft een bij een binnen de bebouwde kom gelegen bushalte wegrijdende autobus niet voor te laten gaan.
C
Een militair colonne hoeft niet te wachten voor een rood verkeerslicht.
Slide 49 - Quiz
Wat is de toegestane maximumsnelheid binnen de bebouwde kom voor bestuurders van een gehandicaptenvoertuig voorzien van een motor, wanneer hij de rijbaan gebruikt?
A
30 km/uur.
B
40 km/uur.
C
45 km/uur.
Slide 50 - Quiz
Wat is de betekenis van dit bord?
A
Laad- en losplaats.
B
Gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen.
C
Gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen, tevens parkeerverbod.
Slide 51 - Quiz
Wat is de betekenis van dit bord?
A
Gesloten voor bromfietsen, snorfietsen met in werking zijnde motor.
B
Gesloten voor bromfietsen, snorfietsen en gehandicaptenvoertuigen met in werking zijnde motor.
C
Gesloten voor bromfietsen en snorfietsen.
Slide 52 - Quiz
Voor wie geldt bord C12 RVV 1990?
A
Motorfietsen en auto's.
B
Motorvoertuigen op twee wielen en motorvoertuigen op meer dan twee wielen.
C
Gesloten voor alle motorvoertuigen.
Slide 53 - Quiz
Bestuurders van een personenauto mogen een fietsstrook met een doorgetrokken streep niet gebruiken. Wat wordt met 'gebruiken' bedoeld?
A
Er overheen rijden om linksaf een inrit in te rijden.
B
Er overheen rijden om te keren.
C
Er overheen rijden om voor te sorteren.
Slide 54 - Quiz
Wat valt er onder het begrip voertuig?
A
Een vrachtauto.
B
Een aanhangwagen.
C
Beiden.
Slide 55 - Quiz
Wat is er bepaald ten aanzien van een vluchthaven?
A
Deze kan alleen maar voorkomen op een autoweg.
B
Deze kan voorkomen op elke weg, als het maar wordt aangegeven door het bordje 'vluchthaven'.
C
Deze kan zowel op de autoweg als op de autosnelweg voorkomen.
Slide 56 - Quiz
Indien speciaal tot parkeren bestemde weggedeelten zijn aangebracht, zoals parkeerhavens, parkeervakken of parkeerstroken. Moet men daar dan om te parkeren verlicht gebruik van maken?
A
Ja, omdat alleen op de daarvoor bestemde plaatsen mag worden geparkeren.
B
Nee, tenzij het anderszins is verboden op overige plaatsen te parkeren.
C
Nee, dit hoeft nooit.
Slide 57 - Quiz
Wat is juist?
A
Verkeersborden mogen op een elektronisch signaleringsbord worden weergegeven.
B
Verkeersborden moeten op een elektronisch of vast signaleringsbord worden weergegeven
C
Verkeersborden moeten op een vast signaleringsbord worden weergegeven
Slide 58 - Quiz
Waar moeten bromfietsers rijden op wegen met een maximumsnelheid van 70 km/h?
A
Afhankelijk van de borden op de rijbaan of het fiets/bromfietspad.
B
Niet op de rijbaan in verband met het snelheidsverschil met de motorvoertuigen.
C
Op het fietspad of fiets/bromfietspad, want op dergelijke wegen mogen bromfietsers nooit op de rijbaan.
Slide 59 - Quiz
Voor wie geldt dit bord?
A
Ruiters, vee, wagens, motorvoertuigen die sneller kunnen of mogen rijden dan 25 km/h alsmede fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen.
B
Gesloten voor ruiters, vee, wagens, landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines, brommobielen, fietsen, snorfietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen