Proeftoets M&Z

Proeftoets M&Z
1 / 41
next
Slide 1: Slide
Zorg en WelzijnMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

This lesson contains 41 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Proeftoets M&Z

Slide 1 - Slide

Wat valt er onder eerstelijnszorg?
A
Gespecialiseerde zorg die in een ziekenhuis wordt aangeboden
B
Spoedeisende hulp die wordt verleend bij levensbedreigende situaties
C
Zorg die door een huisarts, tandarts of fysiotherapeut wordt aangeboden
D
Zorg die door een psychiater wordt aangeboden

Slide 2 - Quiz

Waarover gaat het bij lichamelijk welbevinden?
A
Contact met familie en vrienden
B
Je lichamelijk gezond en fit voelen
C
Lekker in je vel zitten, tevreden zijn en je gelukkig voelen
D
Meedoen in de maatschappij

Slide 3 - Quiz

Wat is een goed voorbeeld van een extramurale zorginstelling?
A
Thuiszorginstelling
B
Verpleeg-en verzorgingshuis
C
Woonvorm voor mensen met een beperking
D
Zorginstelling voor mensen met een psychiatrische stoornis

Slide 4 - Quiz

Waar staat de afkoring WLZ voor?
A
Wet lang zelfstandig
B
Wet langdurig ziek
C
Wet leven en zorg
D
Wet langdurige zorg

Slide 5 - Quiz

Wat betekent een ECD?
A
Elektronisch cardiogram
B
Elektronisch cliënt doorverwijzing
C
Elektronisch cliëntdossier
D
Elektronisch code dienstverlening

Slide 6 - Quiz

In het zorgdossier is het zorgplan een belangrijk onderdeel. Wat staat hier in beschreven?
A
De algemene beschrijving over hoe de zorgvrager heeft geleefd
B
De afspraken over de zorg, de wensen en doelen van de zorgvrager
C
De algemene gegevens van de zorgvrager, zoals de naam en de geboortedatum
D
De medische gegevens van de zorgvrager, zoals de ziekte en de gevolgen daarvan.

Slide 7 - Quiz

Wat wordt bedoeld met 'eigen regie' in de zorg?
A
Familie van de cliënt neemt alle beslissingen over de zorg van de cliënt
B
De zorgverlener neemt alle beslissingen voor de cliënt
C
De zorginstelling bepaald hoe de zorg en de ondersteuning wordt uitgevoerd
D
De cliënt is vrij om zelf beslissingen te nemen over de zorg en de ondersteuning

Slide 8 - Quiz

In de zorg werk je zoveel mogelijk vraaggericht. Wat wil dit zeggen?
A
Je stelt de behoeften en de wensen van de zorgvrager steeds centraal
B
Je voert de taken uit die de teamleider jou opdraagt.
C
Je werkt volgens je eigen behoeften en wensen
D
Je werkt volgens het principe: 'u vraagt, wij draaien'.

Slide 9 - Quiz

Hoe observeer je een zorgvrager op de juiste wijze?
A
Je observeert de zorgvrager 1 keer per dag
B
Je observeert de zorgvrager opvallend
C
Je observeert de zorgvrager altijd objectief
D
Je observeert de zorgvrager altijd subjectief

Slide 10 - Quiz

Wat wordt bedoeld met informele zorg?
A
Onbetaalde zorg door vrijwilligers in een buurthuis
B
Zorg door professionals die daarvoor opgeleid zijn en betaald worden
C
Zorg en ondersteuning waarvoor je een indicatie nodig hebt
D
Onbetaalde zorg door familie of vrienden aan iemand in hun omgeving

Slide 11 - Quiz

Wat is een voorbeeld van verbale communicatie?
A
Je wilt iets vragen en je steekt je hand op
B
Je vertelt aan de ander wat je hebt meegemaakt
C
Je ziet aan iemands gezicht dat hij de lunch niet lekker vindt
D
Je ziet dat iemand verdrietig kijkt en het niet naar zijn zin heeft.

Slide 12 - Quiz

Wat is een kenmerk van actief luisteren?
A
Je geeft je mening en oordeelt over wat de ander zegt
B
Je hoort wat de ander zegt en je gaat door met je werkzaamheden
C
Je kijkt de ander aan en probeert de begrijpen wat de ander zegt
D
Je verteld je eigen verhaal, nadat je hebt geluisterd

Slide 13 - Quiz

Wat wordt verstaan onder het begrip empathie?
A
Je kunt je verplaatsen in de zorgvrager, zodat hij zich begrepen voelt
B
Je bent zoveel mogelijk jezelf en je benaderd de zorgvrager met een open houding
C
Je bent betrokken bij de zorgvrager, maar je kunt ook afstand nemen
D
Je behandelt de zorgvrager met respect en je oordeelt niet

Slide 14 - Quiz

Welke afspraak over waarden is juist?
A
Waarden zijn gedragsregels die bij een bepaalde waarde horen
B
Waarden zijn ideeën over wat als belangrijk wordt gezien
C
Waarden zijn ongeschreven regels
D
Waarden zijn regels die voor iedereen hetzelfde zijn

Slide 15 - Quiz

Welke activiteit hoort bij de persoonlijke verzorging van een cliënt?
A
Helpen bij het schoonmaken van de ramen
B
Hem een injectie geven om de griep te voorkomen
C
Helpen bij het poetsen van zijn tanden
D
Het verzorgen van een diepe wond aan zijn voet

Slide 16 - Quiz

Waarom is hygiënisch werken belangrijk?
A
Omdat het moet voor de inspectie van de zorg
B
Om verspreiding van bacteriën te voorkomen
C
Om lekker te ruiken dat is voor de ander erg prettig
D
Om te voorkomen dat je je vies voelt na aanraken van een cliënt

Slide 17 - Quiz

Wat is een reden dat een cliënt steunkousen gebruikt?
A
Om blessures tijdens het sporten te voorkomen
B
Om de druk te verdelen en de schoenen beter te laten passen
C
Om de voeten warm te houden tijdens het koude weer
D
Om de bloedvaten in de voeten en benen te ondersteunen

Slide 18 - Quiz

Wat betekent incontinentie?
A
Verstoppen van de darmen
B
Zelfstandig naar het toilet kunnen
C
Urine en of ontlasting niet meer op kunnen houden
D
Hulp nodig om naar het toilet te gaan

Slide 19 - Quiz

Wat is een voorbeeld van een cliënt met een motorische beperking?
A
Een cliënt die niet kan lopen en of zijn armen kan gebruiken
B
Een cliënt die niet kan ruiken
C
Een cliënt die niet kan zien of horen
D
Een cliënt die moeite heeft met praten

Slide 20 - Quiz

Wat is artrose?
A
Een aandoening waarbij de botten snel kunnen breken
B
Een aandoening waarbij de bloedtoevoer naar het gewricht stopt
C
Een aandoening waarbij de spieren om het gewricht slechter worden
D
Een aandoening waarbij een gewricht ontstoken raakt en het bot veranderd

Slide 21 - Quiz

Als een chirurg bij een operatie een been verwijderd, hoe noem je dit?
A
Narcose
B
Amputatie
C
Spasme
D
Contractuur

Slide 22 - Quiz

Welke betekenis past het beste bij het woord 'revalideren'?
A
Aanpassen van de leefstijl
B
Voorkomen van blessures
C
Herstellen van een operatie of blessure
D
Ontwikkeling van nieuwe vaardigheden

Slide 23 - Quiz

Wat is een hypoglycaemie?

Slide 24 - Open question

Wat is een normale bloedsuikerwaarde?
A
0-4 mmol/l
B
4-7 mmol/l
C
7-11 mmol/l
D
11-15 mmol/l

Slide 25 - Quiz

Wat is het doel van ergonomie?
A
Mooi inrichten van een werkplek in de zorg
B
Trainen van zorgverleners, zodat ze beter presteren
C
Verbeteren van de kwaliteit in de zorg
D
Voorkomen van lichamelijke en mentale klachten op het werk

Slide 26 - Quiz

Je zorgt voor een goede werkhoogte. Op welke hoogte zet je een hoog-laagbed?
A
Op heuphoogte
B
Op de hoogste stand
C
Op de laagste stand
D
1,5 meter van de grond

Slide 27 - Quiz

Waarom is bij transfers een goed contact en de cliënt belangrijk?
A
Omdat de cliënt dan minder vaak hulp nodig heeft
B
Omdat het vertrouwen van de cliënt en jou belangrijk is bij het tillen
C
Omdat je dan sneller kunt werken, zonder uitleg te geven
D
Omdat de cliënt dan nooit klachten over jou zal hebben

Slide 28 - Quiz

Wat zorgt voor een hoog risico op vallen bij ouderen?
A
Gezonde maaltijd met voldoende vitaminen
B
Het dragen van stevige schoenen met antislip zolen
C
Regelmatige lichaamsbeweging en spierversterkende oefeningen
D
Onvoldoende verlichting in huis en losliggende tapijten

Slide 29 - Quiz

Welke ziekte is een chronische ziekte?
A
COPD
B
Griep
C
Kinkhoest
D
Voedselvergiftiging

Slide 30 - Quiz

Wat betekent het als je immuun bent voor een bepaalde ziekte?
A
Dat je andere mensen kunt besmetten met de ziekte
B
Dat je de ziekte kortgeleden hebt gehad
C
Dat je de ziekte niet meer kunt krijgen
D
Dat je ingeënt moet worden tegen deze ziekte

Slide 31 - Quiz

Hoe noem je de tijd tussen het moment van besmetting en het moment dat de ziekte uitbreekt?
A
Bestemming
B
Diagnose
C
Immuniteit
D
Incubatietijd

Slide 32 - Quiz

Wat kan een oorzaak voor een infectieziekte zijn?
A
Een schimmel
B
Een virus
C
Een parasiet
D
Een insect

Slide 33 - Quiz

Bij welke temperatuur heeft iemand koorts?
A
36.5 graden
B
37,5 graden
C
38 graden
D
38,5 graden

Slide 34 - Quiz

Welk symptoom kan wijzen op een hartaandoening?
A
Droge hoest
B
Hoge bloeddruk
C
Hoofdpijn
D
Rugpijn

Slide 35 - Quiz

Welke uitspraak over de ziekte van Alzheimer is juist?
A
Symptomen van de ziekte van Alzheimer zijn scheve mond en krachtverlies
B
De ziekte van Alzheimer is een aandoening van het hart
C
De oorzaak van de ziekte van Alzheimer is een bloeding in de hersenen
D
De ziekte van Alzheimer begint vaak heel geleidelijk

Slide 36 - Quiz

Hoe heet het als medicatie via de mond wordt toegediend?
A
Dermaal
B
Rectaal
C
Oraal
D
Intramusculair

Slide 37 - Quiz

Welke van de volgende begrippen hoort bij zorgtechnologie?
A
Antibiotica
B
Domotica
C
Radiologie
D
Ergonomie

Slide 38 - Quiz

Wat is de belangrijkste functie van zorgdomotica?
A
Behouden van de zelfredzaamheid
B
Bevorderen van beweging
C
Behouden van gegevens
D
Verbeteren van het slaappatroon

Slide 39 - Quiz

Wat hoort er bij E-health?
A
Informatie over gezondheid op internet
B
Alle wetenschap gericht op gezondheid
C
Alle office programma's die de zorg verlichten
D
Apps, beeldbellen, VR, gamification, e-consults

Slide 40 - Quiz

Ben je klaar voor de toets?
A
Huh, toets?
B
Jazeker, kom maar op!
C
Hellup!!
D
Nee, ik moet nodig gaan leren!

Slide 41 - Quiz