Week 3 - Module 1.1 - Communicatie

COMMUNICATIE
1 / 50
next
Slide 1: Slide
WelzijnMBOStudiejaar 3

This lesson contains 50 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

COMMUNICATIE

Slide 1 - Slide

Les 1

Slide 2 - Slide

Lesdoelen
Module 1| Professioneel communiceren
theorie en opdrachten

Hoofdstuk 1: Communicatie
1.1 Wat is communicatie?
1.2 Communicatiestijlen
1.3 Communiceren met ruis
1.4 Feedback geven en krijgen
1.5 Communiceren via social media



Slide 3 - Slide

Communicatie
Communicatiestijlen
De manier waarop jij jezelf 
uitdrukt binnen de communicatie. 

Je kan wisselen tussen stijlen 
maar iedereen heeft een voorkeursstijl. 


Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Communicatie - Hoofdstuk 1
Opdracht - bekijk welke stijl je past. (dubbelzijdige print powerpoint)

  1. Kruis aan welke eigenschappen je herkent in jezelf
  2. Zet een kring om hetgeen wat je beter zou willen kunnen

Slide 8 - Slide

Communicatie - Hoofdstuk 1

Effectieve communicatie: de boodschap wordt ontvangen (begrepen) zoals bedoeld door de zender. 

Miscommunicatie: de boodschap wordt niet ontvangen (begrepen) zoals het is bedoeld door de zender.
- Dit kan ontstaan door ruis
 

Slide 9 - Slide

Communicatie - Hoofdstuk 1
Referentiekader = het geheel van denkbeelden, overtuigingen, gewoonten, waarden en normen die iemand heeft opgebouwd in zijn leven en van waaruit hij de wereld om zich heen interpreteert en beoordeelt. 

Bij een (groot) verschil in referentiekader heb je beiden een andere voorstelling van wat er gezegd wordt. Iedereen communiceert dus via zijn/ haar eigen referentiekader.

Hoe ga je dan om met verschillen  binnen een referentiekader? 

Slide 10 - Slide

Communicatie - Hoofdstuk 1
Oorzaken van ruis:

1. De ontvanger kan de boodschap niet ontvangen door bijv. een auditieve beperking.
2. De ontvanger begrijpt de woorden van de zender niet.
3. De zender praat te zacht.
4. De ontvanger raakt afgeleid door omgevingsfactoren. 
5. De ontvanger raakt afgeleid door interne factoren.
6. De ontvanger interpreteert de boodschap verkeerd waardoor de boodschap niet goed overkomt.  

Slide 11 - Slide

Welke voorbeelden van ruis kan je noemen?

Slide 12 - Mind map

Ik kom er zo aan!

Vraag: Wat versta jij onder zo? Geef dit aan in minuten.

Slide 13 - Open question

Als ik om 08.00 uur moet beginnen moet ik belachelijk vroeg opstaan.

Vraag: Welk tijdstip versta jij onder belachelijk vroeg opstaan?

Slide 14 - Open question

Ik heb een dure bos bloemen gekocht.

Vraag: Vanaf welk bedrag vind jij een bos bloemen duur?

Slide 15 - Open question

Opdracht
Doel: Inleiding theorie

Wat ga je doen?
Je werkt in tweetallen. Je tekent jouw droomhuis, je vertelt niet en laat niet zien hoe deze er uit ziet.
De ander stelt 5 OPEN vragen om uit te zoeken hoe het huis van de ander er uit zal zijn.
Diegene die de vragen stelt, tekent op basis van de antwoorden het droomhuis.
Je geeft niet aan of het wel of niet klopt, dit komt later.

Zodra je klaar bent wissel je om. 

Slide 16 - Slide

Communicatie - Hoofdstuk 1
Terugkoppeling vorige opdracht. 

- Wat valt op?
- Jullie antwoorden bij de vorige opdracht hebben te maken met jullie referentiekader

Referentiekader = het geheel van denkbeelden, overtuigingen, gewoonten, waarden en normen die iemand heeft opgebouwd in zijn leven en van waaruit hij de wereld om zich heen interpreteert en beoordeelt. 

Bij een (groot) verschil in referentiekader heb je beiden een andere voorstelling van wat er gezegd wordt. Iedereen communiceert dus via zijn/ haar eigen referentiekader.

Hoe ga je dan om met verschillen  binnen een referentiekader? 

Slide 17 - Slide

Waarnemen versus interpreteren

Slide 18 - Slide

Wat neem je waar?

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Gezondheid - Wat neem je waar?

Slide 21 - Slide

Emotie - wat neem je waar?

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Video

Communicatie - Hoofdstuk 1
De vorige opdracht heeft te maken met waarnemen en interpreteren (referentiekader).



- Noem een situatie waarin het waarnemen en interpreteren bij jou mis ging. 
- Wat heb je hierdoor geleerd voor de toekomst?

Slide 24 - Slide

Lesdoelen
Je kunt uitleggen wat het verschil is tussen waarnemen en interpreteren, en voorbeelden geven uit de praktijk.

Je kunt uitleggen hoe interpretaties kunnen zorgen voor misverstanden (ruis) in communicatie, en hoe je dit kunt voorkomen.

Je leert dat eigen aannames of oordelen invloed kunnen hebben op hoe je communiceert met de ander (cliënten of collega’s)

Slide 25 - Slide

Les 2

Slide 26 - Slide

Lesdoelen
Module 1| Professioneel communiceren
theorie en opdrachten

Hoofdstuk 1: Communicatie
1.1 Wat is communicatie?
1.2 Communicatiestijlen
1.3 Communiceren met ruis
1.4 Feedback geven en krijgen
1.5 Communiceren via social media



Slide 27 - Slide

Wat is feedback?
Feedback = terugkoppelen


"Feedback is het terugkoppelen van informatie van de ene persoon naar de andere, waarbij duidelijk gemaakt wordt hoe de boodschap (of het gedrag) van de een op de ander overkomt".

Geef je:
-Bewust en onbewust, spontaan of in een reactie op een vraag, formeel of informeel, mondeling of schriftelijk, doormiddel van een compliment, excuses of bedankje

Slide 28 - Slide

Het nut van feedback
  • Feedback ondersteunt en bevordert positief gedrag
    "Fijn dat je hebt opgeruimd. Nu kunnen we meteen aan de slag".
  • Feedback helpt de ander te begrijpen
    "Het begin van je presentatie verliep wat rommelig, maar je zegt dat je dat met opzet deed. Kun je dat uitleggen?"
  • Feedback maakt duidelijk welk gedrag niet en welk gedrag wél gewenst is 
    "Ik zou het fijn vinden als je zegt wat je vindt. Dan weet je wat ik aan je heb"

Je leert dus over jezelf.

Slide 29 - Slide

Taakgerichte feedback
Persoonsgerichte feedback
Je hebt de klas netjes opgeruimd
Jij bent vriendelijk
Jij hebt deze broodjes goed belegd
Je bent een harde werker

Slide 30 - Drag question

Lilian geeft Maureen feedback. Lilian vertelt dat ze de handeling niet goed uitvoert, maar ze zegt er niet bij wat Maureen niet goed doet.
Jeroen en Mathijs zijn goede collega's. Jeroen weet dat hij alles tegen Mathijs kan zeggen, zonder dat hij er boos om wordt .
Nanouk is geïrriteerd en roept tegen Kirsten: 'Jij kan er ook helemaal niets van!'.
De manier waarop je feedback geeft
De relatie die je met de andere hebt
De inhoud van de boodschap

Slide 31 - Drag question

Wat is het verschil tussen feedback en kritiek?

Slide 32 - Open question

Wat is het verschil tussen waarnemen en interpreteren?

Slide 33 - Open question

Wat is het verschil tussen interne en externe ruis?

Slide 34 - Open question

Positief roddelen
Doel: Je kan via de feedbackregels feedback geven.


Wat: Er neemt telkens één student ongevraagd plaats in de ‘luisterstoel’. De groepsgenoten geven om de beurt aan wat hij/ zij complimentwaardig vindt aan de student in de luisterstoel: wat je aan hem/ haar bewonderd, wat je knap vindt etc. Richt je op allerlei dingen: school, privé, uiterlijk, eigenschappen, prestaties etc.


Tijd: 60 Seconden positief roddelen per persoon en dan doordraaien! 
Doordraaien op signaal van de docent. 

Slide 35 - Slide

Communicatie - Hoofdstuk 1
Positieve feedback  =
Feedback waarmee de zender aangeeft dat hij het gedrag van de ander graag gehandhaafd ziet.

Negatieve feedback, oftewel opbouwende feedback =
Feedback waarmee de zender aangeeft dat hij het benoemde gedrag graag veranderd ziet.

- Valkuil: Negatieve feedback zien als kritiek waardoor je niet in staat bent om er wat van te leren.


Slide 36 - Slide

Communicatie - Hoofdstuk 1
Feedback geven:
1. Beschrijf het gedrag dat je zelf hebt gezien/ waargenomen.
2. Gebruik een ik-boodschap
3. Vertel wat het effect is van het gedrag
4. Geef de ander de ruimte om te reageren
5. Beschrijf het gewenste gedrag

Feedback ontvangen:
1. Luister goed naar de ander. Laat de ander uitpraten en ga niet direct in de verdediging. 
2. Vraag om verduidelijking als je iets niet begrijpt of herkent. 
3. Geef aan wat je van de feedback vindt zodra de ander is uitgesprsoken. 
4. Als je de feedback niet herkent, kan je dit aangeven en vragen of de ander jou er op kan wijzen indien het opnieuw voorkomt. 

Slide 37 - Slide

Jij bent begonnen bij je PEP plek. Je ontvangt feedback waar jij je niet in herkent. Jouw begeleidster geeft bijvoorbeeld aan dat je de opdrachten niet goed uitvoert en dat je een nonchalante houding hebt.

Hoe zou jij hier op reageren?

Slide 38 - Open question

Communicatie - Hoofdstuk 1
Verdedigingsreacties bij feedback:
1. Ontkenning
2. Verdringing
3. Rationalisatie
4. Projectie 

Deze reacties zijn niet effectief. 
Blijf feedback altijd ontvangen aan de hand van voorgaande regels, hoe lastig dit ook is! 


- Koppel de reacties vanuit de voorgaande vraag aan de verdedigingsreacties. 

Slide 39 - Slide

"Dat doe ik nooit..."
A
Ontkenning
B
Verdringing
C
Rationalisatie
D
Projectie

Slide 40 - Quiz

"Ik snap dat dit vervelend is, maar dat komt gewoon omdat ik slecht slaap 's avonds."
A
Ontkenning
B
Rationalisatie
C
Verdringing
D
Projectie

Slide 41 - Quiz

"Jij doet dat zelf ook wel 's."
A
Ontkenning
B
Rationalisatie
C
Projectie
D
Verdringing

Slide 42 - Quiz

"Daar heb ik geen actieve herinnering aan"
A
Ontkenning
B
Rationalisatie
C
Projectie
D
Verdringing

Slide 43 - Quiz

Communiceren via social media
  • De toon van je bericht kan heel anders overkomen dan jij hebt bedoeld.
  • Je hebt geen invloed op hoe de ander jouw bericht ervaart.
  • Je kunt niet adequaat reageren op reacties op je bericht.
  • Je kunt je bericht niet toelichten of nuanceren.



Slide 44 - Slide

Opdrachten
Werken in Thieme Meulenhoff

Theorie + opdrachten
Licentie: Thieme Meulenhoff

Boek: Communicatie en ondersteunen
Module 1, hoofdstuk 1: opdrachten niveau 3 : 1 t/m 12

HUISWERK WEEK 4 - PERSOONLIJK EIGENDOM MEENEMEN



Slide 45 - Slide

Lesdoelen
Je kunt de basisregels van het geven en ontvangen van feedback benoemen.

Je weet wat er bedoelt wordt met feedback (terugkoppeling)

Je kunt uitleggen hoe communicatie via social media invloed kan hebben op het contact met cliënten, collega’s en je professionele houding.


Slide 46 - Slide

Communicatie - Hoofdstuk 1
Opdracht: 
- Je ontvangt van de docent een briefje met daarop de naam van de medestudent.
- Je gaat deze student observeren en aan het einde van de les geef je deze student feedback.
- Je geeft positieve én opbouwende feedback aan de hand van de vijf regels:

1. Beschrijf het gedrag dat je zelf hebt gezien/ waargenomen.
2. Gebruik een ik-boodschap
3. Vertel wat het effect is van het gedrag
4. Geef de ander de ruimte om te reageren
5. Beschrijf het gewenste gedrag

Slide 47 - Slide

Terugkoppeling
Nabespreking
- Wie heb je geobserveerd?
- Wat is je feedback?
Je geeft positieve én opbouwende feedback aan de hand van de vijf regels:

1. Beschrijf het gedrag dat je zelf hebt gezien/ waargenomen.
2. Gebruik een ik-boodschap
3. Vertel wat het effect is van het gedrag
4. Geef de ander de ruimte om te reageren
5. Beschrijf het gewenste gedrag

Slide 48 - Slide

Slide 49 - Link

Slide 50 - Link