Les 17 (10 januari 2026) Gedeelde les. VO2: beeldspraak, oefenen met spelling

L17 Wat doen we vandaag? 

1. VO1: verkleinwoorden (herhaling voor VO2).                             
2. VO1 en VO2:  Zelfstandig lezen, eventueel boek zoeken.              

3. VO2: Cursus 4 Taal §5 beeldspraak. 
4. VO2: opdracht maken en oefenen met Cursus 7 Spelling §6 (los of aan elkaar).

5. VO1: bijvoeglijke naamwoorden (herhaling). 
6. Spelletjes en huiswerk komende week.  

1 / 42
next
Slide 1: Slide
NederlandsSecondary EducationAge 12

This lesson contains 42 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

L17 Wat doen we vandaag? 

1. VO1: verkleinwoorden (herhaling voor VO2).                             
2. VO1 en VO2:  Zelfstandig lezen, eventueel boek zoeken.              

3. VO2: Cursus 4 Taal §5 beeldspraak. 
4. VO2: opdracht maken en oefenen met Cursus 7 Spelling §6 (los of aan elkaar).

5. VO1: bijvoeglijke naamwoorden (herhaling). 
6. Spelletjes en huiswerk komende week.  

Slide 1 - Slide

herhaling meervouden en verkleinwoorden vo1

Slide 2 - Slide

weet je nog?
We hebben het gehad over meervouden:
- meervouden op -en
meervouden op -s of -'s

Slide 3 - Slide

Meervouden: Woorden de eindigen op:  u   i   a   y
schrijf een apostrof + s als het nodig is voor de uitspraak. 

 




               
oma  - oma's                       maar:  douche  - douches
radio - radio's                                   spray - sprays
ski - ski's                                              logé  - logés
menu - menu's                                 Let dus op de uitspraak!!!!!
baby - baby's 
                                 

Slide 4 - Slide

Theorie (verkleinwoorden)
Van de meeste zelfstandige naamwoorden kun je een verkleinwoord maken.

Meestal      =       -je of -tje achter het woord.
vakantie - vakantietje  
schaar - schaartje
dans - dansje

Slide 5 - Slide

Soort woord met voorbeeld
  1. Woorden met -m : boom
  2. Woorden met een -ng            koning
  3. Achteraan -a, -o, é of -u                 opa, auto, paraplu
  4. Achteraan -y of u uitgesproken als oe: baby, haiku
  5. Woorden met cijfers of afkorting     dvd, A4
  6. Woorden op i: kiwi
  7. korte klanken -> soms lang
Regel met voorbeeld
  • -pje  : boompje
  • -kje en de -g laat je weg
koninkje
  • extra klinker
opaatje, autootje,coupeetje (!)
  • -'tje
baby'tje
haiku'tje
  • -'je of -'tje
dvd'tje, A4'tje
  •  i verandert in ie: Kiwietje
  • blad - blaadje

Slide 6 - Slide

Etalage
A
Etalagetje
B
Etalage'tje
C
Etalageetje

Slide 7 - Quiz

Verdieping
A
Verdiepingtje
B
Verdiepingetje
C
Verdiepingke
D
Verdiepinkje

Slide 8 - Quiz

cd
A
cdtje
B
CeeDeetje
C
cd'tje

Slide 9 - Quiz

Pony
A
ponytje
B
ponietje
C
pony'tje
D
paardje

Slide 10 - Quiz

Menu
A
Menutje
B
Menuutje
C
Menu'tje
D
Menuu'tje

Slide 11 - Quiz

Instructie
A
Instructietje
B
Instructieetje
C
Instructie'tje

Slide 12 - Quiz

Nederlands boek
Als je je Nederlandse boek hebt meegenomen, ga er dan even in lezen (15 min). Niet? kies dan een nieuw boek uit. 

Slide 13 - Slide

VO2
 Cursus 4 Taal §5 beeldspraak

Slide 14 - Slide

Beeldspraak
  • Bij beeldspraak gebruik je woorden in een figuurlijke betekenis. Figuurlijk taalgebruik = alles wat niet letterlijk bedoeld wordt

  • Er is sprake van een overeenkomst tussen een object (in deze context: iets wat er echt is) en het beeld.
  • Goede beeldspraak maakt een (gesproken)tekst mooier, duidelijker en krachtiger.

Slide 15 - Slide

De vergelijking
  • Er is sprake van een overeenkomst tussen een object en het beeld

  • Bij een vergelijking hoort meestal het woordje 'als' of 'lijkt'.


  • Zo ziek als een hond.

  • Je lijkt wel een verzopen hond. 

  • Wat een vuile hond, ben jij!
Zo blind als een...

Slide 16 - Slide

Je kamer ziet eruit als...
een zwijnenstal!

Slide 17 - Slide

De metafoor
Het object (de werkelijkheid) wordt helemaal vervangen door het beeld. Het is er nog wel, maar wordt niet genoemd, je moet het figuurlijk zien:

  • Het schip der woestijn (kameel)

  • Een tsunami van nieuwe voorschriften (een enorme hoeveelheid voorschriften)

Slide 18 - Slide

Personificatie

Met een personificatie stel je een levenloos ding voor als een persoon, je kent menselijke eigenschappen toe aan een ' dood'  ding. 

  • De zon streelde onze wangen.
  • Het gevaar loerde op elke hoek van de straat.
  • Schreeuwende kleuren.
  • Papier is geduldig.
  • Zuchtend en kreunend kwam mijn auto tot stilstand.

Slide 19 - Slide

Synesthesie
Verbinding / vermenging van verschillende zintuiglijke waarnemingen.

  • Bittere kou (smaak en tastzin)
  • Warme tonen (tastzin en gehoor)
  • Schilderachtig schelden (zien en horen)

Slide 20 - Slide

Bedenk zelf een voorbeeld van beeldspraak.

Slide 21 - Open question

VO2
 Lees text 1 op blz 98 (Cursus 4 Taal §5 beeldspraak) en maak daarna opdracht 2.
Klaar? Maak dan opdracht 3 en 4 (en 1 en 2 als je deze nog niet gemaakt hebt) van Cursus 7 Spelling §6 (blz 259)

Slide 22 - Slide

Cursus 7 Spelling
Herhaling Bijvoeglijk Naawoord

Slide 23 - Slide

Wat is een bijvoeglijke naamwoord?
Noem een voorbeeld.

Slide 24 - Open question



Hoe schrijf je een bijvoeglijk naamwoord?
  • Je plakt een -e achter het woord: mooi -> mooie (lange vorm)

  • Soms verandert het woord niet: korte vorm
  • Korte vorm gebruik je als (1) het bijv. nw. achter het zelfstandig naamwoord staat -> Dat huis is prachtig.
  • Korte vorm gebruik je als (2) je het over de 'een-vorm' van een 'het-woord' hebt: 
    -> een mooi meisje
    -> een heerlijk gerecht




Spelling - bijvoeglijk naamwoord

Slide 25 - Slide

Stoffelijk bijvoeglijk naamwoorden

  • Stoffelijk bijvoeglijk naamwoorden eindigen vaak met -en
    -> ijzeren
    -> gouden


  • Maar let op met moderne & buitenlandse stoffen en materialen! Zij krijgen geen extra -e of -en
    -> plastic stoel
    -> carbon frame
    -> corduroy broek






Slide 26 - Slide

Algemene spellingregels
Let op: net als bij andere soorten woorden (zelf. nw. in het meervoud bijv., of werkwoorden) kan het zijn dat je deze regels moet toepassen: 

1. Als een woord meerdere lettergrepen heeft, verdubbel je de medeklinker na een korte klank. (beton - betonnen, zie ook pet -petten)

2. Een lange klinker in een open lettergreep schrijf je vaak met één letter.  (zie ook: betaal - betalen)

Slide 27 - Slide

Wat is de correcte vorm van het bijvoeglijk naamwoord?

Hans en Marije hebben een (groot) probleem.
A
grote
B
groten
C
groote
D
groot

Slide 28 - Quiz

Wat is de correcte vorm van het bijvoeglijk naamwoord?

Hij knalde op de (beton) paaltjes.
A
betonne
B
betonnen
C
betonen
D
betone

Slide 29 - Quiz

Wat is de correcte vorm van het bijvoeglijk nw?

Heb je wel eens een [industrieel] ontwerp gemaakt?
A
Industriele
B
industrieel
C
industriële
D
industrieële

Slide 30 - Quiz

Wat is de correcte vorm van het bijvoeglijk naamwoord?

Dat (raar) jong heeft mijn stuntstep gestolen.
A
rare
B
raare
C
raren

Slide 31 - Quiz

Wat is de correcte vorm van het bijvoeglijk naamwoord?

Dat is een (prachtig) uitvoering.
A
prachtig
B
prachtigen
C
prachtige

Slide 32 - Quiz

Wat is de correcte vorm van het bijvoeglijk naamwoord?

Wat een (bizar) vertoning!
A
bizarre
B
bizar
C
bizare

Slide 33 - Quiz

Wat is de correcte vorm van het bijvoeglijk naamwoord?

Die jongen droeg een (zijde) jurk.
A
zijde
B
zijden

Slide 34 - Quiz

Wat is de correcte vorm van het bijvoeglijk naamwoord?

Wat een (gezellig) familie is dat geworden.
A
gezellig
B
gezellige
C
gezelligen

Slide 35 - Quiz

Wat is de correcte vorm van het bijvoeglijk naamwoord?

Het was een (druk) bedoening in het Vondelpark.
A
druk
B
druke
C
drukke

Slide 36 - Quiz

Antwoorden C7 § 6 Spellingopdracht 3
- Ik vind Jeremiah nogal slechtgemanierd, omdat hij mij zonder te groeten in het trappenhuis voorbijloopt. 
-Mijn vader wil graag kennismaken met de vriendin met wie ik op zomervakantie ga in een rode camperbus.
- Yasmina heeft op woensdagmiddag tijd voor een parttimebaantje.
- De winkeldief ging slim te werk, omdat hij gebruikmaakte van een afleidingsmanoeuvre, zodat hij gauw de buit achterover kon drukken.
- Het tekort op de rekening van meneer De Bree was opgelopen tot dertienhonderd euro.

Slide 37 - Slide

Antwoorden C7 § 6 Spellingopdracht 3
Furkan was meteen geïnteresseerd toen hij hoorde dat er een plaats in de leerlingenraad vrijkwam en hij heeft zich zonder te twijfelen voor de scholierenverkiezingen opgegeven. 

Slide 38 - Slide

Antwoorden C7 § 6 Spellingopdracht 4
(1) Het Olympisch Vuur is tegenwoordig niet meer weg te denken van de Olympische Spelen. (2) De sporttraditie is echter nog helemaal niet zo oud. (3) Amsterdam had in 1928 de allereerste Olympische vlam.
(4) De traditie van het Olympisch vuur werd bedacht door de uit Nederland afkomstige architect Jan Wils, de ontwerper van het Olympisch Stadion in Amsterdam. (5) Bij het stadion liet de bouwkunstenaar een 46 meter hoge toren bouwen, de Marathontoren. 

Slide 39 - Slide

Antwoorden C7 § 6 Spellingopdracht 4
(6) Daarmee wilde hij bereiken dat iedereen in Amsterdam overdag rook uit de toren kon zien opstijgen en ’s avonds de hemel roodgloeiend kon zien oplichten door het vuur.
(7) Tegenwoordig wordt het Olympisch vuur altijd aangestoken door een bekende sporter. (8) In Amsterdam ging dat in 1928 anders. (9) Een medewerker van het gasbedrijf mocht het vuur toen ontsteken. (10) Hierna werd het in een vuurvaste schaal op de toren getakeld.
(11) Opvallend was dat koningin Wilhelmina in 1928 niet bij de openingsceremonie aanwezig was. (12) De vorstin bleef weg als protestactie. (13) Ze was boos en teleurgesteld omdat er niet met haar was overlegd over de datum waarop de internationale sportmanifestatie zou aanvangen

Slide 40 - Slide

Lesafsluiting (VO1)
Volgende week weer een online les.   
 ▪ Lees in je leesboek  
 ▪ Leren: dicteewoorden   
Leer de spelling van de woorden en de betekenis voor het dictee van volgende week.  
 ▪ Leren: cursus 7 spelling §1-§4 leer de spellingregels voor de toets over twee weken. 
De toets is op zaterdag 24 januari. 
  

Slide 41 - Slide

Lesafsluiting (VO2)
Volgende week weer een online les.   

▪ Lees in je leesboek. 
▪ Cursus 7 spelling §8 mixopdrachten: maak opdracht 2, 3, 4 en 5. Kijk zonodig weer even in je boek.

Tot volgende week! 
 


  

Slide 42 - Slide