2T5 Erfelijkheid

BS 1 Genotype - Fenotype
Wat wordt verstaan onder genotype?
Wat wordt verstaan onder fenotype?

1 / 40
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

BS 1 Genotype - Fenotype
Wat wordt verstaan onder genotype?
Wat wordt verstaan onder fenotype?

Slide 1 - Slide

Hebben jullie geschaatst?
Ja
Nee

Slide 2 - Poll

Huiswerk bespreken

Slide 3 - Slide

Welke video en wat viel je op?

Slide 4 - Open question

Je weet wat chromosomen zijn.

Slide 5 - Slide

hoeveel chromosomen hebben wij?
A
46
B
44
C
48
D
20

Slide 6 - Quiz

25.000 Genen in ons DNA
Een gen is een deel van een chromosoom. 

Een gen bevat de informatie van één erfelijke eigenschap. 

Elk chromosoom bevat veel genen (zie nr. 4)
Alle genen in een celkern vormen samen het genotype van een organisme.
Deze slide komt uit les B1 Je uiterlijk

Slide 7 - Slide

Genen
Een gen is een stukje DNA
voor een erfelijke eigenschap.

Een gen kan 'aan' of ' uit' staan.




Slide 8 - Slide

chromosomen
In elke cel zitten 46 chromosomen
23 kreeg je van je moeder 
23 kreeg je van je vader

de laatste chromosomen bepalen of je een jongen of een meisje bent

Slide 9 - Slide

Je uiterlijk
Genotype + Fenotype

Slide 10 - Slide

Genotype en fenotype
Genotype

Fenotype


Slide 11 - Slide

Fenotype
Genotype
VS

Slide 12 - Drag question

Welke stelling is juist?
A
Fenotype = genotype + milieu
B
Milieu = genotype + fenotype
C
Genotype = fenotype + milieu

Slide 13 - Quiz

Genotype vs. Fenotype
Nu kun je:
-> benoemen wat het verschil is tussen genotype en fenotype.

Slide 14 - Slide

Maken
opdr. 1 2 3

Slide 15 - Slide

Folder
  • Veel plagiaat
  • herkansing = afsluiting hoofdstuk
  • inleveren na de vakantie
  • vragen over feedback; persoonlijk bericht of bellen

Slide 16 - Slide

Waarom moet ik een bron vermelden?
Voorkom plagiaat (want je hebt het niet zelf bedacht!)
Jij bent ook onderdeel van de kennis samenleving: je geeft ook jouw kennis door...
Bronvermelding zegt iets over de kwaliteit van jouw tekst

Slide 17 - Slide

folder
inleveren op 5 maart
telt mee als toetscijfer
feedback staat op teams

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Basisstof 2 Geslachtchromosomen
Lees de tekst door en schrijf de belangrijkste begrippen op met hun betekenis
Maken opdracht 11 t/m 17

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide


Geslachtscel (23) - Bevruchting (46)
In een geslachtscel (eicel - zaadcel) zitten 
23 chromosomen.
Chromosomen komen in geslachtscellen enkelvoudig voor (niet in paren).
Er komen daarom alleen enkelvoudige genen voor (geen genenparen).

In de animatie komen de enkelvoudige chromosomen bij de bevruchting in de celkern samen. Er ontstaan chromosomen- en genen paren.  Het genotype is zo bepaald.
Een lichaamscel bevat 23 paar chromosomen.
Je ziet hier 1 paar.

1
Het paar chromosomen is gesplitst. Eén chromosoom gaat in de geslachtscel. Vanuit elk paar (23 paren) chromosomen komt er 1 chromosoom in de geslachtscel. Een geslachtscel bevat daarom niet 46 maar 23 chromosomen
2
Eicel en zaadcel smelten samen: bevruchting!
Welk chromosoom in de geslachtscel komt is een verrassing.
Dit maakt dat er variatie is in het doorgeven van erfelijke eigenschappen.
Het bepaalt ook of de nakomeling een jongen of een meisje wordt.
3

Slide 22 - Slide

Geslachtelijke voortplanting
Bij geslachtelijke voortplanting smelten 2 geslachtscellen samen waardoor een nieuw organisme ontstaat. 

In een lichaamscel komen genenparen voor maar in een geslachtscel zit van dat genenpaar maar één gen. 

In de afbeelding zie je een lichaamscel van een man met 3 chromosoomparen met een genenpaar met twee ongelijke genen. Daarvan komt telkens één gen in een zaadcel. 
Welke waar in komt, is toeval.  Je ziet 4 zaadcellen.

Ook bij de eicellen van de vrouw bepaalt het toeval welk gen in een eicel komt. 

Er ontstaan op deze manier veel verschillende genotypen.


Ook bij de eicellen van de vrouw zijn er veel verschillende genotypen.

Het antwoord vind je op de volgende slide

Slide 23 - Slide

6.1.Zie je in de afbeelding het fenotype of het genotype van de baby?
A
Fenotype
B
Genotype

Slide 24 - Quiz

6.2.Noem één voorbeeld van een eigenschap die bij het fenotype van de baby hoort.

Slide 25 - Open question

7.1. Zijn alle eigenschappen van een organisme erfelijk?
A
Ja
B
Nee

Slide 26 - Quiz

7.2.Een jongen gaat in de zomervakantie bij een tuincentrum werken. Hij krijgt eelt op zijn handen.
Verandert het fenotype van deze jongen als er eelt op zijn handen komt?
A
Ja
B
Nee

Slide 27 - Quiz

7.4.De jongen blijft zijn verdere leven veel met zijn handen werken. Hij heeft veel eelt op zijn handen.
Hij krijgt twee kinderen.
Is de eigenschap 'eelt op de handen' erfelijk?
A
Ja
B
Nee

Slide 28 - Quiz

10. 2.Een tuinder snijdt een stekje van de plant af en geeft dat cadeau aan een vriend. De vriend zet het stekje in de tuin. Het jaar daarop krijgt de vriend blauwe bloemen aan de plant.
Is het genotype anders dan die van de moederplant?
A
Ja
B
Nee

Slide 29 - Quiz

Mathilde laat een permanentje zetten bij de kapper. Verandert hierdoor haar genotype en haar fenotype?
A
genotype wel fenotype niet
B
genotype niet fenotype wel
C
genotype niet fenotype niet
D
genotype wel fenotype wel

Slide 30 - Quiz

Zet in de juiste volgorde van klein naar groot:
A
cel - chromosoom - DNA - gen
B
gen - chromosoom - DNA - cel
C
gen - chromosoom -cel - DNA
D
gen - DNA - chromosoom - cel

Slide 31 - Quiz

Bij een kikker bevatten bepaalde cellen per kern in totaal 13 chromosomen.

Zijn deze cellen geslachtscellen of lichaamscellen?

In lichaamscellen komen chromosomen in paren voor.
Altijd een even aantal.
A
geslachtscellen
B
lichaamscellen
C
kun je niet weten

Slide 32 - Quiz

Dave zegt: De informatie van een genenpaar is altijd gelijk

Jarco zegt: De geslachtscellen van een vrouw hebben allemaal hetzelfde genotype
A
beide waar
B
beide nietwaar
C
Dave : waar Jarco: nietwaar
D
Dave: nietwaar Jarco: waar

Slide 33 - Quiz

Merle zegt: Op elk chromosoom ligt 1 gen

Sencer zegt: Chromosomen komen in lichaamscellen in paren voor
A
Beide waar
B
Beide nietwaar
C
Merle waar
D
Sencer waar

Slide 34 - Quiz

Fons zegt: Twee-eiige tweelingen hebben allebei hetzelfde genotype

Maarten zegt: Een-eiige tweelingen hebben allebei hetzelfde fenotype
A
Beide waar
B
Beide nietwaar
C
Fons: waar Maarten: nietwaar
D
Fons: nietwaar Maarten: waar

Slide 35 - Quiz

Dave zegt: De informatie van een genenpaar is altijd gelijk

Jarco zegt: De geslachtscellen van een vrouw hebben allemaal hetzelfde genotype
A
beide waar
B
beide nietwaar
C
Dave : waar Jarco: nietwaar
D
Dave: nietwaar Jarco: waar

Slide 36 - Quiz

Kijk naar de afbeelding!
Een tweeling.
Wat is waar?
A
één-eiïge tweeling hetzelfde genotype
B
een eiïge tweeling verschillend genotype
C
twee-eiïge tweeling hetzelfde genotype
D
twee-eiïge tweeling verschillend genotype

Slide 37 - Quiz

Vanaf welk moment komt je genotype tot stand?
A
vanaf de geboorte
B
vanaf de bevruchting
C
komt nooit echt tot stand want het verandert steeds
D
vanaf ongeveer de puberteit o.i.v. de hormonen

Slide 38 - Quiz

Menno zegt: De celkern van een levercel bevat de complete informatie voor al je erfelijke eigenschappen.

Annie zegt: Een gen bevat de informatie voor meerdere erfelijke eigenschappen.
A
Beide waar
B
Beide nietwaar
C
Menno: waar Annie: nietwaar
D
Menno: nietwaar Annie: waar

Slide 39 - Quiz

Merle zegt: Op elk chromosoom ligt 1 gen

Sencer zegt: Chromosomen komen in lichaamscellen in paren voor
A
Beide waar
B
Beide nietwaar
C
Merle waar
D
Sencer waar

Slide 40 - Quiz