Signaal- en verwijswoorden

Signaalwoorden
1 / 34
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Signaalwoorden

Slide 1 - Slide

Wat te tot nu toe hebben gedaan: 
  • Weten welk leestype je bent en welke leesuitdagingen je hebt. 
  • Weten welke leesstrategieën er zijn. 
  • Weten wat signaalwoorden zijn en deze kunnen herkennen in een tekst. 
  • Weten wat verwijswoorden zijn en deze kunnen herkennen  in een tekst. 
  • Weten wat het antecedent is en deze kunnen vinden in een tekst. 
  • Grondig een tekst kunnen lezen met behulp van de leesstrategieën. 



Slide 2 - Slide

Lesdoelen
  • Oefenen met signaal- en verwijswoorden,
  • Oefenen met grondig lezen en de leesstrategieën, 
  • Weten wat je moet weten/kunnen voor het proefwerk.

Slide 3 - Slide

Signaalwoorden
Signaalwoorden zijn woorden die een tekst begrijpelijker maken.
Met deze woorden leg je verbanden tussen zinnen en alinea’s. Ze geven de lezer een ‘signaal’ (een teken), bijvoorbeeld: en, maar, toen, want, tenzij, zo, ten slotte. 

Hierdoor leer je de teksten beter te begrijpen.

Slide 4 - Slide

Voorbeelden soorten signaalwoorden: 
Soort verband
Signaalwoorden
Oorzaak- gevolg
door, doordat, hierdoor, daardoor, waardoor, zodat, vanwege, als gevolg van, het gevolg is, dus.
Tijdaangevend
nu, nadat, voorheen, toen, eerst, later, daarna, intussen, dadelijk, straks, vroeger, tegenwoordig, destijds.
Voorwaarde
als, mits, indien, tenzij, aangenomen dat, in het geval dat, gesteld dat, zodra.

Slide 5 - Slide

Voorbeelden soorten signaalwoorden: 
Soort verband
Signaalwoorden
Conclusie


dus, hieruit volgt, dan ook, concluderend
Opsomming


en, ook, nog, bovendien, verder, ten eerste, etc. 
Reden of verklaring
want, omdat, daarom, om deze reden, dus, etc. 
Tegenstelling
maar, toch, terwijl, hoewel, in tegenstelling tot, etc. 

Slide 6 - Slide

Voorbeeld
a. Signaalwoord: en.
b. Verband: opsomming.
c. Zin: Je hebt je huiswerk gemaakt én je stelt vragen in de les. Goed gedaan!
d. Uitleg: Er is hier sprake van een opsomming, omdat er wordt opgesomd wat iemand goed heeft gedaan. 

Slide 7 - Slide

Voorbeeld
Fleur gaat niet naar school, omdat het regent. 

'Omdat' is een signaalwoord van reden. Het regent is dus de reden dat Fleur niet naar school gaat.

Slide 8 - Slide

Verschil oorzaak-gevolg/ reden:
Door de tramstoring reden er geen trams, waardoor ik te laat kwam. Oorzaak ligt buiten jouw schuld.

Ik kwam te laat op school, want ik had geen zin om mijn bed uit te komen.

Slide 9 - Slide

Welk verband geeft het signaalwoord daarna aan?
A
voorwaarde
B
tijd (chronologie)
C
oorzaak-gevolg
D
opsomming

Slide 10 - Quiz

In het zuiden van het land sneeuwt het, ... hier valt er regen.
A
daarom
B
tenzij
C
dus
D
maar

Slide 11 - Quiz

Wat is de functie van het signaalwoord 'maar'?

Ik wil graag naar de stad, maar ik heb geen tijd.
A
voorbeeld
B
volgorde
C
tegenstelling
D
voorwaarde

Slide 12 - Quiz

Wat is de functie van 'dus' ?
Ik heb goed geleerd, dus verwacht ik een goed cijfer.
A
reden-verklaring
B
tegenstelling
C
conclusie
D
opsomming

Slide 13 - Quiz

Wat is de functie van 'omdat'?
Ik heb een goed cijfer, omdat ik goed geleerd heb.

A
conclusie
B
reden-verklaring
C
tegenstelling
D
opsomming

Slide 14 - Quiz

Wat is de functie van 'daardoor' ?
Het heeft gesneeuwd, daardoor rijden er geen treinen.
A
oorzaak-gevolg
B
doel-middel
C
tegenstelling
D
verklaring

Slide 15 - Quiz

Wat is de functie van 'als' ?
Ik ga je met mee, als het tenminste droog blijft.
A
conclusie
B
tegenstelling
C
oorzaak-gevolg
D
voorwaarde

Slide 16 - Quiz

Opdracht: 
  • In duo's
  • 10 minuten
  • Klaar? Steek je vinger op. 
  • Opdracht: 
- Noteer vijf verschillende signaalwoorden met het bijbehorende verband. 
- Maak vijf zinnen. In elke zin moet een ander signaalwoord én verband zitten. 
- Leg per zin uit om wat voor soort verband het gaat. 
Hoe op te schrijven
a. Signaalwoord
b. Verband.
c. Voorbeeldzin. 
d. Uitleg verband in zin. 

Slide 17 - Slide

Verwijswoorden

Slide 18 - Slide

Lees de volgende zinnen. Wat valt je op?
Pieter loopt naar de deur. Pieter doet de deur open. Pieter neemt een pakketje aan van de postbezorger en Pieter legt het pakketje op de tafel. Het pakketje is voor de moeder van Pieter en Pieter is nieuwsgierig. Wat is het?

Slide 19 - Slide

Lees de volgende zinnen. Wat valt je op?
Pieter loopt naar de deur. Hij doet de deur open en neemt een pakketje aan van de postbezorger. Pieter legt het pakketje op de tafel. Het is voor zijn moeder en hij is nieuwsgierig. Wat is het?

Slide 20 - Slide

Verwijswoorden
Verwijswoorden verwijzen meestal 
naar een woord dat al eerder genoemd is ,of 
wijzen vooruit naar een woord dat nog genoemd gaat worden.

Slide 21 - Slide

Verwijswoorden

Verwijswoorden wijzen terug naar een woord of (een deel van) een zin. Er zijn verschillende soorten verwijswoorden:


– persoonlijke voornaamwoorden: hij, hem, zij, ze, haar, hen, hun;
– bezittelijke voornaamwoorden: zijn, haar, hun;
– aanwijzende en betrekkelijke voornaamwoorden: deze, die, dit, dat;
– bijwoorden: er, daar, waar, toen, zo;
waar + voorzetsel of voorzetsel + wie?: waar, waarmee, waarover, waarvoor enz., met wie, over wie, voor wie enz.

Slide 22 - Slide

Tip:
Naar 'de' woorden verwijs je met  'die' en 'deze'.

Naar 'het' woorden verwijs je met 'dit' en 'dat'.

Slide 23 - Slide

Antecedent
Het woord of de zin waarnaar wordt verwezen, noem je het antecedent.

Voorbeeld: De leerling zit te werken, hij wil een voldoende halen.
Hij is het verwijswoord, de leerling is het antecedent.

Slide 24 - Slide

Antecedent
Het moet wel duidelijk zijn naar wie je verwijst!
Uit het nieuws:
De slachtoffers zijn Valerio Scofano (50), zijn broer Giacomo (70), zijn zwager Santino Carnevale (70) en zijn zoon Massimo (40).



Slide 25 - Slide

9. Het leven in de zeeën bestaat langer dan ..... op het land.
A
dat
B
dit
C
die
D
deze

Slide 26 - Quiz

10. De cactus houdt van zon, zet ....... daarom op een licht plaats.
A
dat
B
dit
C
deze
D
hun

Slide 27 - Quiz

11. Jij hebt een rekenmachine ... ik graag mijn wiskunde zou willen maken.
A
waarmee
B
waarin
C
met die
D
met dat

Slide 28 - Quiz

Nu doen:
Lees de tekst die je krijgt.
Maak de opdracht die op Magister staat.
Mag in tweetallen, FLUISTEREND overleggen.

Strepen op de tekst moet.
Morgen meenemen, gaan we ermee door. 

Slide 29 - Slide

Lesdoelen
  • Ik kan signaalwoorden in een tekst herkennen en kan benoemen om wat voor tekstverbanden het gaat
  • Ik kan verwijswoorden in een tekst herkennen

Slide 30 - Slide

De leesrace 

Slide 31 - Slide

Aan de slag! 
1. Bekijk het tekstgeraamte. Wat weet je al over het onderwerp? En waar ben je benieuwd naar?
2. Vertel in één zin waar de tekst over gaat. 
3. Markeer alle verwijswoorden en geef van vijf woorden aan wat het antecedent is. 
4. Markeer alle signaalwoorden. Geef van vijf woorden aan wat het tekstverband is. 
5. Welke groepen zouden het meest kwetsbaar zijn voor stress en prestatiedruk? 

Slide 32 - Slide

Wat ik het best snap, zijn de...
A
verwijswoorden
B
signaalwoorden
C
allebei

Slide 33 - Quiz

Toets ( week 44):  
Weten 
Kunnen
- hoe de leesmotor werkt (les 1);
- welk leestype je bent (les 1);
- strategieën voor vóór, tijdens en na het lezen (les 2);
- wat signaalwoorden zijn en hoe je uit kunt leggen wat ze betekenen (les 2);
- wat verwijswoorden zijn en waar ze naar verwijzen (les 3).
- leesstrategieën kunnen gebruiken (les 2 en 4);
- signaalwoorden herkennen (les 2);
van signaalwoorden zeggen welk signaal ze geven (les 2);
- voorbeeldzinnen maken met signaalwoorden (les 2);
- de juiste verwijswoorden kiezen (les 3);
- aanwijzen waar verwijswoorden naar verwijzen (les 3);
- vragen beantwoorden bij een tekst (les 3 en 5).

Slide 34 - Slide