2 vwo - chapitre 2 - meilleurs voeux, phrases-clés, bron I ontkenningen

1 / 33
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Bonjour!
Vandaag:
Herhalen: phrases-clés bron D
uitleg: bron H ontkenningen
PROGRAMME

  • START 2021
  • PTO Frans
  • phrases-clés 
  • herhalen: ontkenningen

Slide 2 - Slide

Tu as passé de bonnes vacances?
A
Oui, c'était super!
B
Oui, je me suis bien reposé.
C
C'était pas mal.
D
Non, c'était nul!

Slide 3 - Quiz

Ik heb geleerd deze vakantie.
A
Oui
B
Non
C
Un petit peu

Slide 4 - Quiz

Ik weet wat ik precies moet leren voor de Franse toets
A
Oui
B
Non

Slide 5 - Quiz

Quels sont vos objectifs pour cette année? Wat zijn jouw doelen voor dit schooljaar?

Slide 6 - Open question

ZINNEN BRON J
Tu es malade?
Qu'est-ce que tu as?
Tu as de la fièvre?
Tu as pris des médicaments?
Tu es souvent malade?
Repose-toi bien et bon rétablissement!
Oui, je prends trois aspirines par jour.
Non, je ne suis jamais malade.
J'ai mal à la tête.
Oui, je ne me sens pas bien.
Oui, j'ai 39 de fièvre.
Merci. A bientôt.

Slide 7 - Drag question

Ça va bien?

Slide 8 - Open question

Qu'est-ce que tu fais pour rester en bonne santé?

Slide 9 - Open question

Donnez-moi deux conseils comment je peux rester en bonne santé.

Slide 10 - Mind map

bron H
La négation - de ontkenning
Tekstboek bladzijde 32

Slide 11 - Slide

Wat zijn ontkenningen?

Slide 12 - Mind map

Welke ontkenningen ken je nog in het Frans? Il y en a six!

Slide 13 - Mind map

Op welke plaats in de zin komen de woordjes 'ne' en 'pas'?
A
voor en na het onderwerp
B
voor en na het lijdend voorwerp
C
voor en na de persoonsvorm

Slide 14 - Quiz

Sleep de juiste vertalingen van de ontkenningen naar elkaar toe. Sleep blauw naar rood!
niet/geen
nooit
niet meer
nog niet
niets
ne ... rien
ne ... pas encore
ne ... pas
ne ... jamais
ne ... plus

Slide 15 - Drag question

Wanneer schrijf je 'ne' voluit en wanneer schrijf je 'n'?

Slide 16 - Open question

Bron I - la négation - de ontkenning 
De ontkenningen:
niet, geen       = ne ...... pas
niet meer       = ne ...... plus
nooit                = ne ...... jamais
niets                 = ne .... rien
nog niet          = ne ...... pas encore
ook niet,          = ne .... pas non plus
ook geen         


Slide 17 - Slide

Bron I - la négation - de ontkenning 
De ontkenningen:
niet, geen       = ne ...... pas
niet meer       = ne ...... plus
nooit                = ne ...... jamais
niets                 = ne .... rien
nog niet          = ne ...... pas encore
ook niet,          = ne .... pas non plus
ook geen         


  • Op de puntjes komt het eerste werkwoord van de zin.
  • Begint het werkwoord met een klinker of h? Dan schrijf je n' in plaats van ne!

Slide 18 - Slide

Bron I - la négation - de ontkenning 
Je parle français.

(niet)
= ne .. pas
werkwoord = parle

'ne' komt voor het werkwoord.
'pas' komt achter het werkwoord.

Je ne parle pas français.


  • Op de puntjes komt het eerste werkwoord van de zin.
  • Begint het werkwoord met een klinker of h? Dan schrijf je n' in plaats van ne!

Slide 19 - Slide

Bron I - la négation - de ontkenning 
Je mange beaucoup de fruits.

(niet)
= ne .. pas
werkwoord = mange

Je ne mange pas beaucoup de fruits.


  • Op de puntjes komt het eerste werkwoord van de zin.
  • Begint het werkwoord met een klinker of h? Dan schrijf je n' in plaats van ne!

Slide 20 - Slide

Bron I - la négation - de ontkenning 
Je vais manger des frites ce soir.

(geen)
= ne .. pas
werkwoord = vais manger
Neem het eerste werkwoord!

Je ne vais pas manger de frites ce soir.


  • Als er twee werkwoorden in de zin staan, neem je het eerste werkwoord.
  • Na een ontkenning vervalt het lidwoord en vervang je deze door 'de'. 

Slide 21 - Slide

Bron I - la négation - de ontkenning 
Elle est végétarienne.

(niet meer)
= ne .. plus
werkwoord = est

Elle n'est plus végétarienne.


  • Op de puntjes komt het eerste werkwoord van de zin.
  • Begint het werkwoord met een klinker of h? Dan schrijf je n' in plaats van ne!

Slide 22 - Slide

Wat is de persoonsvorm in deze zin:
Le cours commence à 11 heures.
A
le cours
B
à 11 heures
C
commence

Slide 23 - Quiz

Maak de zin ontkennend:
je fais du sport
A
ne je fais pas du sport.
B
je ne fais pas de sport.
C
je fais ne sport pas.

Slide 24 - Quiz

maak de zin ontkennend:
Le prof est sympa.
A
Le ne prof est pas sympa
B
Le prof ne pas sympa
C
Le prof est pas sympa
D
Le prof n'est pas sympa

Slide 25 - Quiz

Maak de zin ontkennend:
Elle travaille bien. (niet)
ne .... pas

Slide 26 - Open question

Maak de zin ontkennend:
Nous sommes en retard. (nooit)
ne .... jamais

Slide 27 - Open question

Maak de zin ontkennend:
Elle est végétarienne. (niet meer)
ne .... plus

Slide 28 - Open question

Maak de zin ontkennend:
Tu as mangé? (niets)
ne .... rien

Slide 29 - Open question

Maak de zin ontkennend:
Je suis à l'école. (nog niet)
ne .... pas encore

Slide 30 - Open question

Ik weet hoe ik een zin ontkennend kan maken.
A
ja
B
nee
C
een beetje

Slide 31 - Quiz

bron H -négation
Leren: vocabulaire A en B op bladzijde 85-86 (quizlet!)
maken : bron I opdracht 30 op bladzijde 73 van je WB (30a niet)

Slide 32 - Slide

Slide 33 - Slide