1. Kunst Drama Theorie: drama en andere kunsten (26/27) def

1 / 44
next
Slide 1: Slide
New lesson editorDramaMiddelbare schoolmavoLeerjaar 4

This lesson contains 44 slides, with interactive quiz and text slides.

time-iconLesson duration is: 70 min
Report this lesson

Items in this lesson

Drama M4

Theorie

KUNST DRAMA

Les 1 — Welkom in het examenjaar

met de voorstelling

De dood van Benny Simons

Orkater · regie Shady El-Hamus · mavo 4 · 70 minuten

Vandaag


70 min


▶ Kijken

We starten meteen met theater


🎭 Wat is dit vak?

Uitleg examenjaar


📄 De placemat

Jouw gereedschap


🔍 Begrippen

Wat je moet kennen


▶ Kijken ronde 2

Nu met gereedschap


✒ Examenbegrippen

Oefenen op CE-niveau


📊 Praktische opdracht

Eerlijk invullen


✔ Afsluiting

Afspraken voor het jaar

Kijken.

Eén opdracht:

Onthoud één moment dat je bijblijft.

Niet schrijven. Alleen kijken.

Wat is één moment dat je bij is geleven?

Leerdoelen

Na deze les kun jij:

  1. Vertellen hoe dit examenjaar werkt — wat je moet doen voor je schoolexamens en het centraal examen in mei.

  2. Bij een toneelfragment de vijf spelgegevens invullen: wie speelt er, wat gebeurt er, waar is het, wanneer is het, en waarom doen ze wat ze doen.

  3. Minstens drie vakwoorden van de placemat terugvinden in een fragment — en het juiste woord erbij noemen.

  4. Een examenvraag beantwoorden in drie stappen: zeg het vakwoord → leg uit wat je bedoelt → bewijs het met iets dat je in het fragment ziet.

  5. Uitleggen waarom "mimiek" wél een punt oplevert op het examen en "gezichtsuitdrukking" niet — ook al bedoel je hetzelfde.

1

Dit is een examenvak

  • In mei doe je een schriftelijk examen over theater- en filmfragmenten.

  • Je kijkt naar fragmenten van voorstellingen — zoals net — en beantwoordt vragen over wat je ziet.

  • Door het jaar heen maak je schoolexamens (SE’s) die op dezelfde manier werken.


Op het examen telt alleen het exacte vakwoord.

“Gezichtsuitdrukking” = 0 punten. “Mimiek” = punt.

SE 1/2: drama en andere kunsten

Week 1: uitleg examenjaar; basisbegrippen 

Week 2: drama en andere kunsten; functies van drama

Week 3: drama en film – oefenen examenvragen

Week 4: dramatische technieken; functies drama

Week 5: manieren verwijzen naar de werkelijkheid – oefenen examenvragen

Week 6: voorbereiden PTA - oefentoets


Verdere weken: herhalen begrippen + oefenen met oude examens


Schoolexamens

SE 2 (sprintklas: SE 1) : theater en andere kunsten

SE 3 (sprintklas: SE 2): theater en maatschappij


SE 3 sprintklas: HH examenstof


1

Zo ziet een examenvraag eruit


Examen 2026 — echte vraag

“Beschrijf de scène met behulp van de vijf spelgegevens.”

Wie – welk personage?

Wat – wat gebeurt er?

Waar – waar speelt het?

Wanneer – in welke tijd?

Waarom – de reden (het motief)


Goed nieuws

Dit kun je leren.

Alles wat je nodig hebt krijg je op één kaart.

En die krijg je nu.

2

De placemat: jouw gereedschap


Spelgegevens

de 5 W’s


Lichaam & stem

mimiek, gebaren, volume…


Speltechnieken

status, timing, focus…


Verhaal & opbouw

expositie → climax → afloop


Theatervormgeving

decor, kostuum, licht…


Film & functies

close-up, flashback, POV…


Opdracht 1: zoek op de placemat 3 begrippen die je in het fragment zag — en 1 begrip waarvan je géén idee hebt. (tweetallen, 5 min)

5

minute

00

second

2

De dood van Benny Simons

  • Muziektheater van Orkater — regie: filmmaker Shady El-Hamus (De Libi).

  • Benny sterft na een ruzie op straat en kijkt terug op zijn leven.

  • Heden en verleden lopen door elkaar — dat noem je met een vakwoord… (wie weet het al?)

  • Live muziek op het toneel: jazz en hiphop als onderdeel van de voorstelling.

  • Hoofdrolspeler Daniël Kolf won er de Theo d’Or voor — de prijs voor beste acteur.


Thema: moet een jongen altijd sterk zijn — of mag hij ook kwetsbaar zijn? Een maatschappelijk thema.

3

Begrippen: spel


Spelgegevens (5 W’s)

wie · wat · waar · wanneer · waarom


Conflict

botsing tussen wat twee personages willen — altijd béíde kanten benoemen!


Status

hoog (de baas, groot, rechtop) ↔ laag (klein, onderdanig)


Fysiek spel

wat je met je lichaam doet om een rol te spelen


Stil spel

spelen zonder woorden


Realistisch ↔ uitvergroot

realistisch = echt · uitvergroot/typematig = overdreven


examen 2026

Al deze begrippen kwamen voor op het examen van dit jaar.

3

Begrippen: expressie

Non-verbale expressie (zonder woorden) — leer alle 5:


mimiek


gebaren


(lichaams)houding


bewegingen


handelingen

Verbale expressie (stem) — leer het rijtje:


volume


toonhoogte


tempo


klemtoon


pauze


intonatie


woordkeuze


accent


In Benny Simons: Daniël Kolf wisselt razendsnel tussen woede en tederheid. Mimiek: ogen en mond tonen de emotie. Volume en tempo veranderen mee — hard en snel bij boosheid, zacht en langzaam bij kwetsbaarheid.

3

Begrippen: theatervormgeving

Theatervormgevingsmiddelen — leer het rijtje:


decor


rekwisieten


kostuum


licht


geluid/muziek


grime & hairstyling


projectie


Mise-en-scène

Waar de spelers staan en kijken — de opstelling op het toneel


Cue

Het teken waarop een speler of techniek reageert — bijv. wanneer het licht verandert


Vierde wand

Onzichtbare muur naar het publiek — doorbreken = publiek aanspreken


Contrast

Twee dingen tegenover elkaar zetten — bijv. licht vs. donker, hard vs. zacht

3

Begrippen: film & verhaal

Film

Close-up

Camera heel dichtbij — bijv. gezicht

Medium shot

Camera vanaf het middel

Totaalshot

Alles in beeld

POV (point of view)

Je kijkt door de ogen van een personage

Flashback

Sprong terug in de tijd

Camerabeweging

Bijv. zoomen — LET OP: zoomen is géén shot!

Verhaal

Expositie → climax → afloop

Spanningsopbouw

Monoloog

Eén personage praat (ik-vorm)

Bewerken

Iets bestaands aanpassen naar een ander medium

Thema

Waar het stuk écht over gaat (bijv. mannelijkheid)

Nog een keer kijken — nu met gereedschap

Opdracht 2 · eerst alleen, dan vergelijken in tweetallen


1

Beschrijf de scène met de vijf spelgegevens (wie · wat · waar · wanneer · waarom).


2

Noem twee theatervormgevingsmiddelen die je ziet of hoort, en leg bij elk uit wat het laat zien.


3

Welke vorm van non-verbale expressie gebruikt Benny om zijn emotie te laten zien? Leg uit.

Nog een keer kijken — nu met gereedschap

Opdracht 2 · eerst alleen, dan vergelijken in tweetallen


1

Beschrijf de scène met de vijf spelgegevens (wie · wat · waar · wanneer · waarom).


2

Noem twee theatervormgevingsmiddelen die je ziet of hoort, en leg bij elk uit wat het laat zien.


3

Welke vorm van non-verbale expressie gebruikt Benny om zijn emotie te laten zien? Leg uit.

3

Zo verdien je punten


1. BENOEM

het exacte vakwoord

“Ik zie mimiek…”


2. LEG UIT

wat het betekent of doet

“…de uitdrukking op het gezicht van Benny…”


3. BEWIJS

met een voorbeeld uit het fragment

“…zijn ogen worden groot en zijn mond valt open van schrik.”


Opdracht 3: verbeter je antwoord op kijkvraag 2 met deze drie stappen. Wissel met je buur: staat het vakwoord erin? De uitleg? Het bewijs?

4

Examenbegrippen

  • Examenbegrippen — koppel het begrip aan de uitleg

  • Schrijf de letter van de juiste uitleg achter elk begrip.

  • Placemat dicht!

4

Examenbegrippen: spel & expressie

Deze begrippen kwamen voor op het examen van 2025 én 2026:

Spel


spelgegevens (5 W’s)


conflict


status (hoog/laag)


karaktereigenschap


fysiek spel


realistisch ↔ uitvergroot


schakelen


incasseren


dubbelrol


spelwerkelijkheid


focus

Expressie

Non-verbaal (zonder woorden) — leer alle 5:


mimiek


gebaren


(lichaams)houding


bewegingen


handelingen

Verbaal (stem):


volume


toonhoogte


tempo


klemtoon


pauze


intonatie


woordkeuze


accent

4

Examenbegrippen: vorm, verhaal & film

Theatervormgevingsmiddelen — leer het rijtje:


decor


rekwisieten


kostuum


licht


geluid/muziek


grime & hairstyling


projectie

Ruimte & techniek


mise-en-scène


cue


vierde wand


contrast

Verhaal


expositie


conflict


climax


afloop


flashback


monoloog


bewerking


thema


identificatie


special effect

Film


close-up


medium shot


totaalshot


point of view (POV)


camerabeweging


slow motion

Zo ziet het examen eruit

Drie voorbeelden uit de echte examens van 2025 en 2026.

Kijk mee — welke begrippen herken je van de placemat?

1

Het examen heeft altijd 3 blokken rondom 3 verschillende voorstellingen of films.

2

Per blok kijk je naar een fragment en beantwoord je 10–15 vragen.

3

De vragen gaan altijd over begrippen — dezelfde begrippen als op jouw placemat.


1

Examen 2026 — Blok 1: Wonka (film + muziektheater)


2026


Het fragment

Willy Wonka logeert in een pension. De baas (meneer Bleeker) zegt dat hij moet vertrekken — hij heeft geen geld voor de huur. De scène speelt in het pension. Meneer Bleeker loopt groot en rechtop, Wonka maakt zich klein. Er is live muziek.

Er worden kijkvragen gesteld over: spelgegevens (5 W’s), status, non-verbale expressie, theatervormgevingsmiddelen en het conflict.


Voorbeeldvraag (vraag 6, 4 punten):

“Beschrijf de status die meneer Bleeker speelt. Gebruik daarbij de spelgegevens. Gebruik minstens twee voorbeelden van verbaal of non-verbaal spel.”

Begrippen die terugkomen:


spelgegevens (5 W’s)


conflict


status (hoog/laag)


fysiek spel


mimiek


(lichaams)houding


volume


toonhoogte


theatervormgevings-middelen


kostuum


decor


geluid/muziek


👀 Let op: 2 van de 4 punten gaan over een exacte term (status, spelgegevens). De andere 2 over uitleg.


2

Examen 2026 — Blok 2: Midzomernachtsdroom (muziektheater)


2026


Het fragment

Een moderne bewerking van Shakespeares Midzomernachtsdroom. Titania en Oberon botsen: zij wil alleen zijn, hij wil samen zijn. De scène wisselt tussen heden en verleden. De spelers gebruiken typering en metafoor om het conflict te laten zien.

Vragen gingen over: bewerking, conflict, typering, metafoor, omkering, theatervormgevingsmiddelen en mise-en-scène.


Voorbeeldvraag (vraag 18, 3 punten):

“Beschrijf het conflict tussen Titania en Oberon. Noem daarbij twee theatervormgevingsmiddelen die laten zien hoe het conflict uitgebeeld wordt.”

Begrippen die terugkomen:


bewerken


conflict


typering


metafoor


omkering


theatervormgevings-middelen


contrast


mise-en-scène


kostuum


licht


monoloog


spoken word


👀 Let op: dit blok was voor onze leerlingen het moeilijkst (35–52%). Bewerking en typering gingen mis.


3

Examen 2026 — Blok 3: Het nut van Edo Dompelmans (Orkater)


2026


Het fragment

Edo Dompelmans werkt al twintig jaar in een kringloopwinkel. Hij komt erachter dat hij volledig inwisselbaar is — en dat zijn kennissen zijn veranderd in afgedankte apparaten. Een monoloog met live muziek (cello, accordeon, trompet). Edo spreekt het publiek aan en doorbreekt de vierde wand.

Vragen gingen over: vierde wand, monoloog, handelingen, non-verbale expressie, interpretatie van het thema, analyse van citaten en de functie van de live muziek.

Vragen gingen over: spelgegevens, conflict, schakelen, incasseren, point of view, close-up, flashback, verbale expressie en identificatie.


Voorbeeldvraag (vraag 33, 1 punt):

“Edo spreekt het publiek tijdens de voorstelling direct aan. Welk theaterbegrip hoort hierbij?”

Antwoord: het doorbreken van de vierde wand.

Begrippen die terugkomen:


monoloog


vierde wand


handelingen


non-verbale expressie


mimiek


geluid/muziek


thema


functie van theater


contrast


conflict


spelwerkelijkheid


identificatie


👀 Let op:net als Benny Simons is dit muziektheater van Orkater — live muziek, monoloog, maatschappelijk thema. Jullie kennen deze theatervorm al.

Alles wat je nodig hebt

staat op de placemat.

En die heb jij al.


Spelgegevens staan op elk examen. Conflict ook. Non-verbale expressie ook. Dat ga je nu zelf toepassen.

🎬

Nu jullie!

Maak zelf een scène.

Laat zien wat je vandaag geleerd hebt — de spelgegevens.

5

Praktische opdracht

De opdracht:

Maak een korte scène (1-2 minuten) vanuit de spelgegevens / 5 W’s.

1

Kies Laat je inspireren door je favoriete film, serie of kunstwerk.

2

Bedenk Vul samen de 5 W’s in: wie · wat · waar · wanneer · waarom.

3

Afspreken Spreek de lijn van de scène af: hoe begint het, wat is het conflict, hoe eindigt het?

4

Oefenen Oefen de scène minstens één keer.

5

Spelen Speel de scène voor de klas. De rest raadt de 5 W’s!


Groepjes: 1 tweetal + 1 drietal

7

minute

00

second

5

Vul eerst jullie 5 W’s in



WIE

Welke personages spelen er?



WAT

Wat gebeurt er in de scène?



WAAR

Waar speelt het zich af?



WANNEER

Wanneer speelt het? (ochtend, ’s nachts, in de toekomst?)



WAAROM

Waarom doen de personages wat ze doen? Wat is het conflict?


Tip: “wat” en “waarom” moeten samen het conflict laten zien!

Nabespreking

Na elke scène:


1

Het publiek raadt de 5 W’s — kloppen ze?


2

Welke vormen van expressie zag je? (gebruik de placemat!)


3

Was er een duidelijk conflict? Kon je beide kanten zien?


Het publiek gebruikt de placemat om feedback te geven — in vakwoorden!

Vanaf nu, elke les:

1

We starten met 5 minuten begrippen van de placemat

2

Elke periode staat één voorstelling centraal

3

Antwoorden altijd in 3 stappen: benoem → leg uit → bewijs


Volgende les overhoor ik deze 5 begrippen:

1. spelgegevens (de 5 W’s)

2. mimiek (= de uitdrukking op je gezicht)

3. conflict (botsing tussen twee personages)

4. flashback (sprong terug in de tijd)

5. theatervormgevingsmiddelen (decor, kostuum, licht, geluid/muziek, grime, projectie)

Check: kun jij dit nu?

Vertellen hoe dit examenjaar werkt — wat je moet doen voor je schoolexamens en het centraal examen in mei.

Bij een toneelfragment de vijf spelgegevens invullen: wie, wat, waar, wanneer en waarom.

Minstens drie vakwoorden van de placemat terugvinden in een fragment — en het juiste woord erbij noemen.


Een examenvraag beantwoorden in drie stappen: zeg het vakwoord → leg uit → bewijs het met iets uit het fragment.


Uitleggen waarom “mimiek” wél een punt oplevert en “gezichtsuitdrukking” niet.