Week 22 (9) 2024 klas 3 K4 Veranstaltungen Naamvallen zonder vzz

Guten Tag
Wie geht es euch?
1 / 52
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 52 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Guten Tag
Wie geht es euch?

Slide 1 - Slide


  • jas uit, pet/muts/capuchon af
  • oortjes uit
  • laptop/boek/schrift/pen op tafel

Slide 2 - Slide

Was machen wir heute?


  • Anfang Kapitel 4: Veranstaltungen (=evenementen)
  • Hören und sehen
  • Wortschatz: Aufgaben   machen

Slide 3 - Slide

Kapitel 4 Veranstaltungen

Slide 4 - Slide

Wat leren we in dit hoofdstuk?

  • Je leert om te  kunnen vertellen wat je in je vrije tijd graag doet of wilt  doen (woordenschat m.b.t. wat je kunt doen in je vrije tijd);
  • Je leert iemand ergens voor  uit te nodigen;
  • Je leert een afspraak maken;
  • Je leert jouw mening te geven;
  • Je leert hoe je de naamvallen zónder voorzetsels moet gebruiken.

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Lernziel:
  • In dieser Stunde:  
Ben je op een actieve manier met de woorden en zinnen van Kapitel 4 (Veranstaltungen) bezig geweest en hebt er een aantal op deze manier geleerd.

Slide 7 - Slide

An die Arbeit!
An die Arbeit:

Was?      hören und sehen: Aufgabe 1 auf Seite 14
Wie?       zusammen
Hilfe?     keine
Zeit?       5 Minuten
Fertig?   wir besprechen die Antworte zusammen






Slide 8 - Slide

An die Arbeit!
An die Arbeit:

Was?      Wortschatz: Aufgaben 3, 4,  6, 7 en 8 
Wie?       Online: Kapitel 4 Veranstaltungen: B: Wortschatz
Hilfe?     die Wörterliste auf Seite 48
Zeit?       20 Minuten
Fertig?   Slim Stampen woorden Hfst 4






Slide 9 - Slide

Huiswerk
HAUSAUFGABEN:


machen:
Wortschatz: Aufgaben 3, 4, 5, 6, 7 en 8
Online: Kapitel 4 Veranstaltungen: B: Wortschat
lernen:
die Wörterliste aus Seite 48




Slide 10 - Slide

Heb ik de leerdoelen behaald?

    • Ben ik op een actieve manier met de woorden en zinnen van Kapitel 4 (Veranstaltungen) bezig geweest en heb ik (een aantal van deze) woorden op deze manier geleerd?

Slide 11 - Slide

Abschluss
Niet inpakken - luisteren - ik sluit de les af
  • na mijn startsignaal: inpakken
  • zitten blijven tot de bel gaat- stil

  • dan: klaar :)

Slide 12 - Slide



Danke für eure Aufmerksamkeit.

Bis nächstes Mal!


Slide 13 - Slide

Guten Tag
Wie geht es euch?

Slide 14 - Slide


  • jas uit, pet/muts/capuchon af
  • oortjes uit
  • mobiel in de wandtas
  • laptop/boek/schrift/pen op tafel

Slide 15 - Slide

Was machen wir heute?

Grammatik:         Die Fällen

Slide 16 - Slide

Lernziel:

  • Je kunt persoonlijk voornaamwoorden in de juiste naamval in een zin plaatsen (zonder voorzetsels!)

Slide 17 - Slide

Wir fangen an mit Logo Erklärt!



Slide 18 - Slide

Slide 19 - Link

An die Arbeit!
An die Arbeit:

Was?      Lezen: Aufgabe 12 auf Seiten 22/23/34
Wie?       Im Buch, selbsständig
Hilfe?     die Wörterliste auf Seite 48, ein Wörterbuch
Zeit?       25 Minuten
Fertig?   Slim Stampen woorden Hfst 4






Slide 20 - Slide

naamval 1
onderwerp van de zin

2 manieren om het onderwerp te vinden:

1. wie/wat + gezegde (de werkwoorden in een zin)
De man heeft een auto gekocht
Wie heeft een auto gekocht? de man = nv 1



Slide 21 - Slide

naamval 1
manier 2: HIJ
 Het onderwerp kun je vervangen door hij.

De man heeft een auto gekocht.
Hij heeft een auto gekocht. Hij = naamval 1

Slide 22 - Slide

Bepaal van de volgende zinnen gezegde en onderwerp ( = naamval 1)
  1. Mein Vater hat die Milch gesucht.
  2. Die Eltern wollen den Arzt anrufen.
  3. Mein Lehrer hat mir die Aufgabe erklärt.
  4. Einen Fußball kann ich dir nicht schenken.
  5. Heute haben wir die Straßenbahn genommen.
  6. Könnt ihr euren Garten beschreiben?

Slide 23 - Slide

naamval 4 : lijdend voorwerp
2 manieren om het lijdend voorwerp te vinden.

Manier 1: Wie/wat+ gezegde+ onderwerp
De man heeft een auto gekocht.
Wie/wat heeft de man gekocht? een auto = lijdend voorwerp

Slide 24 - Slide

naamval 4 lijdend voorwerp
manier 2: HEM
Het deel van de zin dat je door hem kunt vervangen is het lijdend voorwerp.
De man heeft een auto gekocht.
HIJ heeft HEM gekocht.
de auto is het lijdend voorwerp

Slide 25 - Slide

Bepaal van de zinnen het gezegde, onderwerp en lijdend voorwerp
  1. Mein Vater hat die Milch gesucht.
  2. Die Großeltern verstehen ihre Enkelkinder nicht.
  3. Einige Touristen suchen eine Apotheke.
  4. Welche Unterkunft habt ihr gefunden?
  5. Seine Unterschrift kann ich nicht lesen.
  6. Meine Mutter hat die Heizung repariert.

Slide 26 - Slide

naamval 3
Het meewerkend voorwerp staat in naamval 3.
2 manieren om het meewerkend voorwerp te vinden.
Manier 1: 
aan wie/wat + gezegde+ onderwerp+ lijdend voorwerp
De man heeft zijn zoon een auto gegeven.
Aan wie/wat heeft de man een auto gegeven?
aan zijn zoon

Slide 27 - Slide

naamval 3
manier 2:
Het meewerkend voorwerp kun je vervangen door:
aan HEM/voor HEM
De mam heeft zijn zoon een auto gegeven.
De man heeft aan HEM een auto gegeven.
zijn zoon = aan hem

Slide 28 - Slide

Geef het gezegde, onderwerp, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp aan.
  1. Der Sänger hat ihm einen Witz erzählt.
  2. Die Polizei hat dir eine Geldstrafe gegeben.
  3. Der Kellner hat mir schon die Rechnung gegeben.
  4. Wir haben ihnen einen neuen Plan vorgeschlagen.
  5. Alle Schüler haben uns die Wahrheit gesagt.
  6. Einen Ring möchte ich ihr noch nicht schenken.

Slide 29 - Slide

Slide 30 - Slide

Slide 31 - Slide

An die Arbeit!
Aan het werk:

Was?   Aufgabe 15 bis zum 18 (1ste en 4de naamval)
Wie?    Online: K. Veranstaltungen; E Grammatik 
Hilfe?   Die Grammatik auf Seite 27
Zeit       20 Minuten
Fertig? Lerne die Wörter auf Seite 48
               




 

Slide 32 - Slide

Abschluss
Niet inpakken - luisteren - ik sluit de les af
  • na mijn startsignaal: inpakken
  • zitten blijven tot de bel gaat- stil

  • dan: klaar :)

Slide 33 - Slide



Danke für eure Aufmerksamkeit.

Bis nächstes Mal!


Slide 34 - Slide

Guten Tag
Wie geht es euch?

Slide 35 - Slide


  • jas uit, pet/muts/capuchon af
  • oortjes uit
  • mobiel in de wandtas
  • laptop/boek/schrift/pen op tafel

Slide 36 - Slide

Was machen wir heute?


  • Sehen und hören: einen Test üben

Slide 37 - Slide

Lernziele für heute:
Je bent in staat om een luisterfragment in eenvoudig Duits te verstaan en kunt hier vragen juist bij beantwoorden..

Slide 38 - Slide

An die Arbeit!
An die Arbeit: den Weg fragen und zeigen

Was?      Einen Test üben
Wie?       selbsständig
Hilfe?     Keine  
Zeit?       10 Minuten
Fertig?   Wir machen weiter mit Neuneinhalb





Slide 39 - Slide

9

Slide 40 - Video

Wat is het thema van de uitzending?
A
kinderarbeid
B
opruimen van je kamer
C
is helpen in huis kinderarbeid?
D
De verslaggever verteld over zijn jeugd

Slide 41 - Quiz

De meisjes moeten hun kamer opruimen. Hoe wordt dat gezegd?
A
Wir müssen unser Zimmer aufräumen
B
Wir müssen unser Zimmer sauber machen
C
wir müssen unser Zimmer machen
D
Wir müssen unser Zimmer putzen

Slide 42 - Quiz

Wat vindt het grootste meisje het meest vervelend om te doen?
A
vuilnis weggooien
B
de keuken schoonmaken
C
haar kamer opruimen
D
koekjes bakken

Slide 43 - Quiz

"das motiviert totaal nicht"
wat motiveert niet?
A
het opruimen van de kleding
B
dat moeder steeds zegt "schiet op, het gaat te langzaam"
C
Dat de kleding binnenste buiten zit
D
Dat het zusje niets doet

Slide 44 - Quiz

Wat zegt de Duitse wet over kinderarbeit?
A
helpen in huis is kinderarbeid en dus verboden
B
tot je 14de hoef je niet in huis mee te helpen
C
Vanaf 14 jaar moet je in huis meehelpen
D
Kinderarbeid tot je 14de is verboden

Slide 45 - Quiz

Volgens een gerechtelijke uitspraak geldt dat je met 12 jaar:
A
ongeveer 7 uur in de week huishoudklusjes mag doen
B
je mee moet helpen op de boerderij
C
geen klusjes in huis mag doen
D
je maximaal 7 klusjes mag doen

Slide 46 - Quiz

Volgens het kleine meisje:
A
kunnen de moeders wel eens wat meer doen
B
doen de moeders veel, dus wil ze wel helpen
C
moet haar zus maar meer doen
D
moeten ze een huishoudhulp nemen

Slide 47 - Quiz

Welke "Tipp" klopt niet volgens het filmpje?
A
als je een klusje lastig vindt, wissel die dan per week
B
spreek af 's avonds pizza te eten
C
Sla eens een week het schoonmaken over
D
Spreek een vast schoonmaak moment af

Slide 48 - Quiz

Volgens Esther is het goed om
A
elke dag op te ruimen
B
eerst altijd Lego op te ruimen en dan de rest
C
Een grote bak te kopen en daar alles in te mikken
D
de spullen te sorteren en daarna op te ruimen

Slide 49 - Quiz

Heb ik de leerdoelen behaald?
Ben ik in staat om vragen bij een luisterfragment te beantwoorden ?

Slide 50 - Slide

Abschluss
Niet inpakken - luisteren - ik sluit de les af
  • na mijn startsignaal: inpakken
  • zitten blijven tot de bel gaat- stil

  • dan: klaar :)

Slide 51 - Slide



Danke für eure Aufmerksamkeit.

Bis nächstes Mal!


Slide 52 - Slide