WWG
-> Zegt wat het onderwerp doet of ondergaat.
-> Beschrijft een actie!
Het dier werd neergeschoten.
De leerlingen willen slapen.
NWG
-> Zegt hoe, wie of wat het onderwerp is.
-> Beschrijft een toestand of eigenschap.
Het dier is dood.
De leerlingen zijn moe.