NT2 GRAMMATICA onregelmatige werkwoorden 2

NT2 GRAMMATICA onregelmatige werkwoorden 2
1 / 40
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

NT2 GRAMMATICA onregelmatige werkwoorden 2

Slide 1 - Slide

Ik ... mijn jas ... (vd)
A
deed ... aan
B
doe... aan
C
heb... aangedaan
D
heb ... aangedaand

Slide 2 - Quiz

We ... samen de toets .... (vd).
A
hebben ... bespreekt
B
hebben ... besproken
C
hebben ... bespraken
D
hebben ... bespreekt

Slide 3 - Quiz

Gisteren ... de school 25 jaar. (vt)
A
heeft bestaan
B
bestand
C
bestaan
D
bestond

Slide 4 - Quiz

Ik ... gauw mijn jas ... (vt)
A
trok ... aan
B
trokt ... aan
C
trek ... aan
D
aantrok

Slide 5 - Quiz

Wij ... de mooie oude kerk (vt).
A
bidden
B
bezoeken
C
baden
D
bezochten

Slide 6 - Quiz

Het ... een mooie oude kerk (tt).
A
betreft
B
bevindt
C
betrof
D
bevond

Slide 7 - Quiz

Zij ... zich in de kerk (vt).
A
bezit
B
bevindt
C
bezat
D
bevonden

Slide 8 - Quiz

In de kerk ... ik .... (vd).
A
heb gebeden
B
ben gebed
C
heb gebed
D
heb gebid

Slide 9 - Quiz

Zij ... van een klein meisje (vt).
A
is bevallen
B
bevalt
C
beviel
D
zijn bevallen

Slide 10 - Quiz

De mensen ... in de drukte (vt).
A
dringen
B
betrokken
C
drongen
D
zijn betrokken

Slide 11 - Quiz

Ik ... mijn onschuld ... (vd).
A
bewees
B
bewijs
C
heb gedaan
D
heb bewezen

Slide 12 - Quiz

Jullie ... toen in de klas (vt).
A
dreven
B
bleven
C
betroffen
D
bonden

Slide 13 - Quiz

Jullie ... toen tijd in de klas... (vt).
A
brachten door
B
brengde door
C
hebben doorgebracht
D
zijn doorgebracht

Slide 14 - Quiz

Hij ... een boek van mij (vt).
A
leent
B
leente
C
leende
D
geleend

Slide 15 - Quiz

Wij ... dat boek ...(vd).
A
keken
B
hebben gekozen
C
hebben gekeken
D
hebben gekiest

Slide 16 - Quiz

Het kind ... op de glijbaan (vt).
A
klom
B
klonk
C
is geklommen
D
klinkt

Slide 17 - Quiz

Jullie ... extra tijd ... (vd).
A
zijn gekomen
B
hebben gekomen
C
zijn gekregen
D
hebben gekregen

Slide 18 - Quiz

Ik ... voor de beste optie (vt).
A
koos
B
heb gekiest
C
kiesde
D
heb gekozen

Slide 19 - Quiz

Wij ... niet vertrekken (vt).
A
hadden
B
konden
C
gaven
D
kunnen

Slide 20 - Quiz

Zij ... snoep .... (vd).
A
hebben gekoopt
B
zijn gekocht
C
hebben gekocht
D
zijn gekopen

Slide 21 - Quiz

Het schilderij ... aan de muur (vt).
A
hing
B
hong
C
hangde
D
is gehangt

Slide 22 - Quiz

De juf ... de toets ... (vd).
A
heeft gekomen
B
is ingegaan
C
heeft ingezien
D
is ingezien

Slide 23 - Quiz

... je je boek ....? (vd)
A
heeft meegebrengt
B
heb meegebracht
C
hebt meegebracht
D
ben meegebracht

Slide 24 - Quiz

Toen ... de wereld ... (vd).
A
is ontstaan
B
is ontvangt
C
is ontstond
D
is ontvangen

Slide 25 - Quiz

... jullie de deur...? (vd)
A
zijn opengedaan
B
hebben opengedaan
C
hebben opengedeed
D
hebben geopendaan

Slide 26 - Quiz

Hij ... chocolade ... (vt).
A
ont brak
B
neemt mee
C
viel mee
D
nam mee

Slide 27 - Quiz

De politie ... de inbraak ... (vd).
A
heeft onderzoekt
B
heeft meegebracht
C
heeft onderzocht
D
heeft nagedacht

Slide 28 - Quiz

Ik ... er lang over ... (vd).
A
heb onderzoekt
B
heb meegebracht
C
heeft onderzocht
D
heb nagedacht

Slide 29 - Quiz

Het ... me ... dat hij weer afwezig was (vt).
A
viel op
B
is opgevallen
C
valte op
D
valt op

Slide 30 - Quiz

De zon ... de hele dag (vt).
A
viel op
B
scheen
C
riep
D
overging

Slide 31 - Quiz

Mijn zoon ... om hulp (vt).
A
viel op
B
scheen
C
riep
D
overging

Slide 32 - Quiz

De oma ... gisteren ... (vd).
A
is overleden
B
heeft overgestoken
C
heeft geschenen
D
heeft plaatsgevonden

Slide 33 - Quiz

De inbraak ... gisteren ... (vd).
A
is overwogen
B
heeft overgestoken
C
heeft geschenen
D
heeft plaatsgevonden

Slide 34 - Quiz

De inbraak ... gisteren ... (vt).
A
vond plaats
B
stak over
C
steekte over
D
heeft plaatsgevonden

Slide 35 - Quiz

Wij ... naar school ... op de fatbike (vd).
A
hebben gereden
B
hebben gerijd
C
zijn gereden
D
zijn gerijd

Slide 36 - Quiz

Wij ... sinterklaas op school (vt).
A
voerden
B
voegden
C
vlogen
D
vierden

Slide 37 - Quiz

Ik ... jullie al 3x .... (vd).
A
heb geriepen
B
heb gerepen
C
heb geroept
D
heb geroepen

Slide 38 - Quiz

De zon ... om 5 uur ... (vt).
A
kwam op
B
komte op
C
is opgekomen
D
opkwam

Slide 39 - Quiz

Ik ... een brief (vt).
A
schroof
B
schreef
C
schrief
D
schrijfde

Slide 40 - Quiz