Handige slides

1 / 31
next
Slide 1: Slide
NT2MBOStudiejaar 1

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Fijne vakantie!

Slide 2 - Slide

Schrijf een brief
  • Schrijf een zin bij elk plaatje. 
  • Begin elke zin met een hoofdletter.
  • Begin elke zin met Ikwerkwoord,
    Bijvoorbeeld: Ik woon in Enschede.
  • Eindig elke zin met een punt.

Slide 3 - Slide

GOED GEDAAN, LIEVERDS!!
Fijne vakantie!!! (vrijdag)

Slide 4 - Slide

De emoties
Hoe voel je je?
Handig om in je schrift te schrijven!

Slide 5 - Slide

Maar eerst een taalrap!

Slide 6 - Slide

Taalrap

Slide 7 - Slide

Bezittelijke voornaamwoorden
ik
jij
hij
zij
wij
jullie
zij
van mij
van jou
van hem
van haar
van ons
van jullie
van hen
mijn
jouw
zijn
haar
ons
jullie
hun

Slide 8 - Slide

Dit potlood is van ...
A
jou
B
jouw

Slide 9 - Quiz

Dit is .... potlood.
A
jou
B
jouw

Slide 10 - Quiz

Die fiets is van ..
A
mijn
B
mij

Slide 11 - Quiz

Dit is ...... zusje.
A
mijn
B
mij

Slide 12 - Quiz

- Maak opdracht F 1.
- We kijken samen na

Slide 13 - Slide

Taalrap

Slide 14 - Slide

Programma
1. Start = samen praten in de kring
2. Luisteren naar het NOS journaal
3.Blauwe woorden bekijken/herhalen/huiswerk bespreken
4. Opdracht: grammatica oefenen
5. GS oefenen
6. Draaiwiel





Slide 15 - Slide

Samen praten over ?

1. Praat over jezelf. 

2. Praat over je familie/gezin.

3. Praat over het weekend.
Gooi de dobbelsteen!

4. Praat over wat je graag eet.

5. Praat over het weer.

6. Gooi nog een keer.

Slide 16 - Slide

3.2 Het spellen van werkwoorden met een korte klank
De werkwoorden (2) 
zeggen-spellen-zitten -beginnen

Slide 17 - Slide


zeggen /zegg
ik zeg
jij zegt
hij/zij zegt

wij zeggen
jullie zeggen
zij zeggen

Spellen/spell
ik spel
jij spelt
hij/zij spelt

wij spellen
jullie spellen
zij spellen

Slide 18 - Slide

Ik zit
jij zit
u zit
hij zit
zij zit
wij zitten
jullie zitten
zij zitten
Ik begin
jij begint
u begint
hij begint
zij begint
wij beginnen
jullie beginnen
zij beginnen

Slide 19 - Slide

3.6 Het spellen van werkwoorden met een lange klank
De werkwoorden (2) 
wonen -spreken -maken -leren


Slide 20 - Slide

4.6 Woorden met -ig

twintig
dertig
veertig

gezellig
aardig
weinig

nodig
rustig
prettig
grappig
handig
gelukkig
veilig
lastig
regelmatig

Slide 21 - Slide

4.8 Vragen maken ?????

Wie 
Wat
Waar
Wanneer
Hoeveel
Bij een vraag maak je een zin met 3-2-1-3 ?
Wie bent u?
Wat doe je?
Waar ben je?
Wanneer kom je?
Hoeveel eet je?

Je/jij achter de 2 nooit een t

Slide 22 - Slide

6. 2 De/ Het 

de -> mannelijk
het-> onzijdig
Regel !!

woorden in het meervoud
altijd   de

verkleinwoorden altijd  het 

Slide 23 - Slide

6.4 woorden met ooi-aai-oei
mooi
nooit
 
saai 
draai

doei
foei

Slide 24 - Slide

Gooien met de dobbelsteen!
Maak een zin met willen.


1= ik
2= jij
3= hij




4= wij
5= jullie
6=zij

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Link



Goedemiddag
en 
welkom allemaal
15 juni
2022

Slide 27 - Slide

de computer
De cursisten leren nieuwe woorden.
de opdracht
Maak de opdracht.

Slide 28 - Slide

De woorden

1. het boek
2. het bord
3. de computer
4. leren
5. lezen
6. luisteren
7. maken

8. de opdracht
9. schrijven
10. spreken
11. de tekst
12. de agenda
13. het weekend

Slide 29 - Slide

bijvoorbeeld
sommige vruchten kun je lang bewaren, bijvoorbeeld appels
het kruisje
Zet een kruisje voor het woord.

Slide 30 - Slide

typen
ik typ
jij typt - typ jij?
hij typt
zij typt
u typt
wij typen
jullie typen
 zij typen

drinken
ik drink
jij drinkt- drink jij?
hij drinkt
zij drinkt
u drinkt
wij drinken
jullie drinken
zij drinken

Slide 31 - Slide