Scheidbare werkwoorden

Scheidbare werkwoorden
  • Wat zijn scheidbare werkwoorden? 

 
1 / 18
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

Scheidbare werkwoorden
  • Wat zijn scheidbare werkwoorden? 

 

Slide 1 - Slide

Scheidbare werkwoorden
                                voorvoegsel  + werkwoord
  1. opbellen                                                                op  +  bellen
  2. voorzeggen                                                     voor  +  zeggen
  3. nakijken                                                                na  +  kijken
  4. tegenkomen                                               tegen  +  komen

Slide 2 - Slide

Woordaccent
Bij een scheidbaar werkwoord ligt het woordaccent op de eerste lettergreep. Luister maar:

uitdelen
klaarzetten
vastmaken
doorrijden

Slide 3 - Slide

Eén werkwoord in de hoofdzin: het scheidbaar werkwoord wordt gesplitst.
  • (afspreken) We  spreken voor morgen af    
  • (weggaanWe gaan morgen weg.        
  • (schoonmaken) Ik maak vandaag de aula schoon.             



Slide 4 - Slide

Twee werkwoorden in de hoofdzin: je schrijft het scheidbare werkwoord als infinitief.
  • (zullen + afspreken) Zullen we voor morgen afspreken?  
  • (wil + weggaan) Wil je ook weggaan?          
  • (moet + schoonmaken) Ik moet vandaag in de aula 
        schoonmaken.               



Slide 5 - Slide

Nog een voorbeeld: aantrekken
hele werkwoord:  aantrekken
                                     aan - trekken

 Ik trek de schoen aan.
Jij trekt de schoen aan.   

enz.....

Slide 6 - Slide

De voltooide tijd met een scheidbaar werkwoord: ge tussen scheidbaar werkwoord
  • (schoonmaken) Hij heeft de kamer schoongemaakt.  
  • (afwassen)  Zij heeft afgewassen.    
  • (weggaan)  Hij is om 08.00 uur weggegaan.          



Slide 7 - Slide

Noem 3 scheidbare
werkwoorden

Slide 8 - Mind map

Wat is goed?

afwassen
A
Jullie wassen de borden af.
B
Jullie afwassen de borden.
C
Jullie wassen af de borden.
D
Jullie afwas de borden.

Slide 9 - Quiz

Wat is goed?

opendoen
A
Jij doen de deur open.
B
Jij doet de deur open.
C
Jij doet open de deur.
D
Jij opendoet de deur.

Slide 10 - Quiz

Wat is goed?

opstaan
A
Ik opsta altijd vroeg.
B
Wij opstaan altijd vroeg.
C
Zij staan altijd vroeg op.
D
Hij staan op altijd vroeg.

Slide 11 - Quiz

Wat is goed?

weggooien
A
Hij weggooit de bal.
B
Zij gooit de bal weg.
C
Wij weggooien de bal.
D
Ik gooi weg de bal .

Slide 12 - Quiz

Wat is goed?

uitdoen
A
Wij uitdoen de verwarming.
B
Zij uitdoet de verwarming.
C
Jullie doet de verwarming uit.
D
Wij doen de verwarming uit.

Slide 13 - Quiz

Maak een zin met:
De kat/melk/opdrinken

Slide 14 - Open question

Bedenk een zin met: uitleggen



Bedenk drie hoofdzinnen met één werkwoord. Het werkwoord is scheidbaar.

Slide 15 - Open question

Bedenk een zin met: oversteken



Bedenk drie hoofdzinnen met één werkwoord. Het werkwoord is scheidbaar.

Slide 16 - Open question

Bedenk een zin met: opladen




Bedenk drie hoofdzinnen met één werkwoord. Het werkwoord is scheidbaar.

Slide 17 - Open question

Ik begrijp de les.
😒🙁😐🙂😃

Slide 18 - Poll