25-01 / 26-01

Programa
1. Startopdracht
2. Oefening met vocabulario
3. Oefeningen met ser / tener 
4. Oefeningen met bijv. naamwoord 
5. Afsluiting
1 / 13
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

This lesson contains 13 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Programa
1. Startopdracht
2. Oefening met vocabulario
3. Oefeningen met ser / tener 
4. Oefeningen met bijv. naamwoord 
5. Afsluiting

Slide 1 - Slide

Hoe zit je erbij?
😒🙁😐🙂😃

Slide 2 - Poll

leerdoelen:
- je kunt de betekenis van woorden herleiden uit een verhaal (en bijbehorende plaatjes)
- je kunt de onregelmatige werkwoorden ZIJN en HEBBEN vervoegen in het Spaans

Slide 3 - Slide

Startopdracht
Maak 5 korte Spaanse zinnen met woorden uit de woordenlijst.

Wil je jezelf uitdagen? Probeer dan ook een bijvoeglijk naamwoord aan de zin toe te voegen. 
timer
5:00

Slide 4 - Slide

la madre
la familia
el padre
rood
azul
la hermana
negro
zwart
rojo
de zus
de moeder
de familie
blauw
de vader

Slide 5 - Drag question

ik
jullie
zij (enkv)
jij
hij
wij
u (mv)
u ( enkv)
vosotros
él
ustedes
yo
ella
nosotros
usted

Slide 6 - Drag question

verbos: ser / tener
yo
él/ella/usted

nosotros/-as
vosotros/-as
ellos/ellas/ustedes
ser = zijn)
tener (ie) = hebben
timer
2:00

Slide 7 - Slide

verbos: ser / tener
yo
él/ella/usted

nosotros/-as
vosotros/-as
ellos/ellas/ustedes
ser
soy
eres
es

somos
sois
son
tener (ie)
tengo
tienes
tiene

tenemos
tenéis
tienen

Slide 8 - Slide

Ahora vosotros:

  1. Pepe ______________________ (tener) 15 años.
  2. Ana y María ____________________(ser) españolas.
  3. Lucía y yo ______________________________(tener) 14 años.
  4. ¿Cúantos años ____________________________(tener) vosotros?
  5. ¿De dónde _____________________________(ser) vosotros?
  6. Yo ________________________(ser) de Holanda y Javi ____________ (ser) de España.

Slide 9 - Slide

  Benoem de vormen van ser en tener

Slide 10 - Slide

hacemos:

Online boek: 
Bron E
Bron F


timer
15:00

Slide 11 - Slide

SOY
ERES
ES
ÉL
YO
IK BEN
JIJ BENT
HIJ IS

Slide 12 - Drag question

Geeft de vervoeging van de regelmatige werkwoorden : tegenwoordige tijd 

timer
1:00
Amy y Sam _____ (Ser) mis alumnas.
Charissa y yo______(Ser) amigas.
Tú________ (Ser-tú) una persona unica.
Yo _______ (Ser) holandés y vivo en Huizen.
Emmy y tú _____(Ser-vosotros) en holandesas.
sois / son
somos
eres
soy
sois / son

Slide 13 - Drag question