4.3 LEZEN

1.4 LEZEN : advertentie/reclame
1 / 27
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 3

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes, text slides and 4 videos.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

1.4 LEZEN : advertentie/reclame

Slide 1 - Slide

RECLAME

tekst:  lay-out

 

beeld: foto, plaatje, afbeelding


hoofddoel: activeren


2e doel: informeren

 


Slide 2 - Slide

Slide 3 - Video

Twee soorten reclame

Commerciële: overhalen om iets te kopen



Ideële: gedrag bij mensen veranderen

Slide 4 - Slide

Ideële reclame
commerciële reclame

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Video

MEERKEUZEVRAGEN

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Video

Wat is het hoofddoel van een reclametekst?
A
informeren
B
amuseren
C
activeren
D
overtuigen

Slide 9 - Quiz

Wat is het hoofddoel van een recept?
A
activeren
B
overtuigen
C
amuseren
D
informeren

Slide 10 - Quiz

Wat wordt bedoeld met de lay-out?
A
de uitleg van de tekst
B
de afbeelding bij de tekst
C
de opmaak van de tekst

Slide 11 - Quiz

Wat is volgens jou het Gouden Windei?
A
Het lege ei van een winderige kip
B
Een prijs voor de beste Paasreclame
C
Een prijs voor de meest misleidende reclame
D
Een Koninklijk ei

Slide 12 - Quiz

Slide 13 - Video

De kindermaag gamet lekker mee.

Slide 14 - Slide

Wat wordt bedoeld met de LAY OUT van een tekst?
A
de kopie
B
de vergroting
C
de opmaak

Slide 15 - Quiz

Wat is het belangrijkste tekstdoel van reclame?
A
informeren
B
overtuigen
C
amuseren
D
activeren

Slide 16 - Quiz

Wat is naast activeren vaak het belangrijkste tekstdoel van reclames?
A
amuseren
B
informeren
C
overtuigen

Slide 17 - Quiz

Wat is het doel van ideële reclame?
A
geld verdienen
B
Je overtuigen
C
Je informeren
D
Je activeren

Slide 18 - Quiz

Wat is een open vraag?
A
een meerkeuzevraag
B
antwoord zelf onder woorden brengen

Slide 19 - Quiz

Welk verband hoort bij het signaalwoord MAAR?
A
opsomming
B
tegenstelling
C
conclusie

Slide 20 - Quiz

Welk tekstverband hoort bij het signaalwoord DUS?
A
oorzaak - gevolg
B
opsommend
C
concluderend

Slide 21 - Quiz

Welk signaalwoord geeft een opsommend tekstverband aan?
A
bovendien
B
zoals
C
doordat

Slide 22 - Quiz

Welk tekstverband hoort bij het signaalwoord DAARDOOR?
A
concluderend
B
oorzaak/ gevolg
C
opsommend

Slide 23 - Quiz

Wat is de meest betrouwbare website?
A
een verkoopsite
B
een blog
C
een nieuwssite

Slide 24 - Quiz

Wat is de HOOFDGEDACHTE van een tekst?
A
het onderwerp
B
de hoofdmening van de schrijver
C
de conclusie

Slide 25 - Quiz

Nederlanders zijn betrouwbaar.
Dit is .... informatie.
A
subjectieve
B
objectieve

Slide 26 - Quiz

Slide 27 - Slide