VSR les 2 de baby

Opgroeien
in grootstedelijke context

Week 2, les 1. De baby

1 / 24
next
Slide 1: Slide
New lesson editorMentorlesWOStudiejaar 2

This lesson contains 24 slides, with text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

Opgroeien
in grootstedelijke context

Week 2, les 1. De baby

Op het programma en lesdoel:


  • Herhalen begrippen les 1

  • H4 De baby (0-1 jaar), casus en het still face experiment

  • H5 De dreumes


  • De student kan de belangrijkste punten van de motorische, cognitieve, zintuigelijke, seksuele, emotionele, affectieve en sociale ontwikkeling van de baby beschrijven

Begrippen uit de vorige les



  • Pak de kaartjes erbij en overhoor elkaar!​



  • Wat is er nog onduidelijk of vraagt extra uitleg?


Begrippen les 1

  • Verschil tussen de ontwikkeling is cumulatief en een differ-

entiatieproces (H1):


Cumalatief: (vaardigheden en ervaringen bouwen op elkaar voort, bijv eerst tafels leren dan wiskunde)



Differentiatieproces: specifieke vaardigheden ontstaan uit meer algemene vermogens, bijv. uit grijpreflex ontstaat leren schrijven


  • Verschil cumulatief is = stapelen, er komt iets bij. Tafels - > rekenen -> complexere wiskunde

  • Differentiaatieproces Iets wat eerst algemeen is, wordt steeds specifieker/complexer.
    Denk: “Differentiatie = details.”
    Voorbeeld: grijpreflex → gerichte handbewegingen → schrijven




H4 De baby (0-1 jaar)

E-learning gevolgd?




  • Nog vragen vanuit de e-learning?



  • Aan de slag met toepassen van de opgedane kennis.

Toepassen


  • Vier groepen, je krijgt een baby toegewezen.


  • 15 minuten de tijd, daarna kort toelichten aan de klas.

  • Eventueel nog klassikale toelichting aan de hand van sheets docent



  • Bekijken still face experiment

15

m

00

s

Waarom is het goed iets te weten over deze ontwikkelingsfase?

De babyperiode is de meest kwetsbare fase in de ontwikkeling. Invloed verzorger(s) is bijzonder groot.


 Goed om alert zijn op signalen die erop kunnen wijzen dat er iets niet goed gaat met een baby.


Bijv het shakenbaby-syndrom.

HOW TO SURVIVE THE WORLD?



1. Reflexen

2. Huilen

3. Hechting

Huilen!
Waarom is dit een overlevingsstrategie?

Huilen




1.



Vorm van communicatie: dwingt omgeving tot actie.


Aanvankelijk vooral een fysiologische respons/ reflex (op honger, koud, pijn etc.).

Later ontstaat doelgericht huilen: met als doel reactie uitlokken bij verzorger.

Hechting


Bowlby is grondlegger van de hechtingstheorie.


Gehechtheidsgedrag: Gedrag van kinderen waarbij ze signalen afgeven die zorgen dat de verzorger dichtbij blijft (bijvoorbeeld huilen, brabbelen, glimlachen).


Fasen:

  • Voorhechting (0-3 maanden)

  • Beginnende gehechtheid (3-6 maanden)

  • Feitelijke gehechtheid (vanaf 6 maanden): Scheidingsangst en Vreemdelingenangst




Belangrijk bij het ontstaan het een goede hechtingsrelatie: sensitief en responsief zijn



Sensitief: alert zijn op de signalen van een baby, deze aanvoelen en deze niet negeren.

Responsief: de ‘juiste’ reactie geven op deze signalen, adequaat reageren.

Hechting als basis voor sociale ontwikkeling

Still face experiment





Sociale ontwikkeling

Hechting vormt de belangrijkste basis voor de sociale ontwikkeling van een kind. Baby laat rond 9 maanden al typisch sociaal gedrag zien:


Social referencing

Baby’s zoeken naar informatie over de gevoelens van anderen om een onduidelijke gebeurtenis te kunnen plaatsen (vanaf 9 maanden).


Joint attention (oftewel ‘gedeelde aandacht’)

Baby’s van rond een jaar oud kunnen hun aandacht op meerdere zaken tegelijk gaan richten ipv. maar op één. Door naar de verzorger te kijken en te wijzen richt de baby bewust de aandacht op bijv een speelgoeditem of eten.

Motorische ontwikkeling

  • Relatief lang afhankelijk van verzorgers.


  • Er worden vier stadia van motorische ontwikkeling onderscheiden.


De baby:
Vier stadia van motorische ontwikkeling (blz 88)


1. Kijkstadium 0 – 3 maanden oog en halsspieren


2. Grijpstadium 3 – 6 maanden arm, elleboog, vingers


3. Zitstadium 6 – 9 maanden romp en heupen


4. Kruipstadium 9 – 12 maanden benen, knieën



Cognitieve ontwikkeling

Cognitieve stadiumtheorie van Piaget


In het eerste levensjaar ontstaat samenwerking tussen zintuigen en bewegen, baby leert doelbewust te handelen: Senso-motorisch stadium.


Ontwikkeling in fases

> beginnende objectpermanentie = het besef dat voorwerpen niet verdwenen zijn wanneer ze uit het zicht zijn.

Het sensomotorisch stadium: (Senso (= zintuig) + Motorisch (= bewegen)

1. Ongecoördineerde reflexen (0–1 maand)

  • Baby’s reageren vooral reflexmatig, zonder doelgericht gedrag


2. Primaire circulaire reacties (1–4 maanden)

  • Baby’s herhalen toevallige bewegingen die fijn voelen of interessant zijn. Het gedrag richt zich op het eigen lichaam.


3. Secundaire circulaire reacties (4–8 maanden)

  • Baby’s herhalen handelingen die een effect hebben op de omgeving.


4. Intentioneel handelen (8+ maanden)

  • Baby’s gaan doelgericht handelen: er is een duidelijk plan.


Voorbeelden:

  • 1. Ongecoördineerde reflexen (0–1 maand)

  • Zuigreflex: baby zuigt automatisch op wat de mond raakt.

  • Grijpreflex: baby sluit hand om een vinger.

  • Zoekreflex: draait hoofd naar aanraking op de wang.


  • 2. Primaire circulaire reacties (1–4 maanden)

  • Baby herhaalt bewegingen gericht op eigen lichaam.

  • Bijv. duimzuigen, geluidjes maken, ritmische bewegingen.



  • 3. Secundaire circulaire reacties (4–8 maanden)

  • Baby herhaalt acties die effect hebben op de omgeving.

  • Bijv. rammelaar schudden, tikken tegen mobiel.



  • 4. Intentioneel handelen (vanaf 8 maanden)

  • Doelgericht gedrag.

  • Bijv. kussen wegduwen om speelgoed te pakken, kruipen naar voorwerp.


Sociale/ persoonlijkheids ontwikkeling:

Temperament baby

De basis van persoonlijkheidsontwikkeling ligt in de babytijd! Herken je dit?



Baby’s laten al verschillend temperament zien:

Gemakkelijke baby’s: positieve instelling, lichaamsfuncties werken goed, passen zich aan, milde emoties, 40%


Moeilijke baby’s: negatieve buien, passen zich langzaam aan aan nieuwe situaties, geneigd om zich terug te trekken, 15%


Langzame starters: inactief en kalm, negatieve stemming, passen langzaam aan, geneigd om zich terug te trekken, 15%



Pak je babyfoto erbij





Bespreek in duo’s:



Hoe oud was je ongeveer op deze foto?

Wat voor temperament had je?

In welk stadium van motorische ontwikkeling zat je?

In welk stadium van de cognitieve ontwikkeling?



Wisselwerking

Goodness of fit:
Het al dan niet aansluiten van het temperament van de baby en de aard en eisen van de omgeving op elkaar.


Volgende les: de dreumes!



Lezen: H5: alles, behalve: Taalontwikkeling (117-119)