Oefenen Rekenen Ioniserende straling

Oefenen rekenen
In deze Lessonup oefen rekenopgaven over het onderwerp 'Ioniserende straling'
1 / 12
next
Slide 1: Slide
NatuurkundeMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 12 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Oefenen rekenen
In deze Lessonup oefen rekenopgaven over het onderwerp 'Ioniserende straling'

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Examen programma. Zorg dat je (op de bovenste twee na, die van Ef en c) deze formules GOED kan gebruiken.
-formules, volgen nog

Slide 3 - Slide

Stel hier de vragen die je tot nu toe hebt.

Slide 4 - Open question

Een patiënt krijgt met 25 mL van een oplossing van een stof met een concentratie van 200 ug/L. Hiermee moet de patiënt gedurende een tijd onderzocht kunnen worden. Hiervoor is een minimale (totale) activiteit van 3000 GBq noodzakelijk. Het preparaat is 4 dagen voor toediening in een lab gemaakt. Als bronnen zijn beschikbaar: I-128, Lu-176, Ra-223 en Th-234. 

Vragen: 
0. Geef de vier vervalvergelijkingen. Welke stof kies je voor de behandeling? 
1. Bereken hoeveel gram er in de toegediende oplossing zit.
2. Bereken het aantal atomen in de oplossing. 
3. Bereken de activiteit direct toen hij gemaakt was. 
4. Bereken de activiteit bij toedienen. 
5. Hoeveel weken na productie is de oplossing bruikbaar?

Slide 5 - Slide

Uitwerking / tips
0. De atomen die onstaan zijn: I-128 -->  xe-128, Lu-176 --> Hf-176, Ra-223 -->Rn-219 en Th-234 --> Pa -223 . 
Keuze is Th-234 omdat deze gammastraling uitzend en daarnaast de minst schadelijke straling (beta). De halveringstijd is passend bij de tijd van de proef.
0. Keuze Th-234, want deze zendt gamma (waarom is er bij deze opgave gamma nodig?) uit en geen alfa  en heeft een 'goede' halveringstijd (voor deze proef).
1. De stof bevat  5,0 x 10^-6 g Th-234.
2. Eén atoom Th-234 heeft een massa van 234,036.. x 1,66 10^-27= 3,88  10-25 kg (of 10-22 g)
Er zijn dan dus 1,3 10^16 atomen
3. Dit geeft een activiteit van 4,3 109 Bq  (t 1/2 = 24,1 d = 2,08...106 s) 
5. De activiteit is tot 89,1 % afgenomen dus is 3,8 10^9  Bq(t =  4 (d), t 1/2 = 24,1 d) 
6.  De activiteit mag tot 70% afnemen. Dit duurt 0,51 ... halveringen dus 12 dagen.

Let op dat je bij berekeningen met halveringen dus nooit met simpele verhouding kan werken (van 89,1 % naar 70% is van 4 dagen naar 12 dagen). De tijd wordt 3 x zo lang, maar het effect verandert NIET met (precies) met een factor 3.

Slide 6 - Slide

De dikgedrukte opgaven zijn opgaven die je op een toets kan verwachten. De opgaven ervoor heb je daar dan meestal voor nodig, maar die worden niet (of minder) los gevraagd op de toets.

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Slide

Als je nog iets niet begreep, geef dat dan zo duidelijk mogelijk aan.

Slide 11 - Open question

Je kunt hier je antwoorden inleveren.

Slide 12 - Open question