Werk en Werkloosheid H1

1 / 48
next
Slide 1: Video
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 48 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 30 min
Report this lesson

Items in this lesson

Slide 1 - Video

Deze periode
- Toets over het boekje Werk & Werkloosheid in TW2
- Opdracht 'Wat is geld' voor bonus op de toets!

Slide 2 - Slide

Werk & Werkloosheid H1






Les 1

Slide 3 - Slide

Het boekje W&W:
- Arbeidsmarkt
- Rekenen met tabellen, grafieken en formules
- Lonen
- Arbeidsparticipatie
- Werkloosheid
- Arbeidsmigratie
- Kansen op de arbeidsmarkt

Slide 4 - Slide

Lesdoelen H1
- Kiezen tussen werken en vrije tijd; welvaart;
- Het verschil tussen meten in arbeidsjaren en meten in personen;
- De p/a-ratio en hoe je die moet berekenen;
- De participatiegraad en hoe je die moet berekenen;
- Werken in deeltijd. Waarom gebeurt dit veel in Nederland?

Slide 5 - Slide

Waarom zou je werken?

Slide 6 - Mind map

Waarom werk je?
Geld is niet de enige reden voor mensen om te werken.
  • Regelmaat
  • Contact met anderen
  • Goed doel (vrijwilligerswerk)
  • Eigen ontwikkeling

Slide 7 - Slide

Welvaart
Welvaart geeft aan hoeveel behoeften iemand kan vervullen.

  • Hoe meer behoeften je kunt vervullen hoe hoger je welvaart.
  • Normaal gesproken dus hoe meer geld en tijd (=middelen) iemand heeft hoe hoger de welvaart.

Slide 8 - Slide

Je hebt voltijdbanen en 
deeltijdbanen.

  • Een voltijdbaan is een baan van 
      36 uren of meer per week.
  • Een deeltijdbaan is een baan van
      minder dan 36 uren per week.
Deeltijd en voltijd
Hele week werken of een extra dagje vrij?

Slide 9 - Slide

In Nederland wordt er heel veel in
deeltijd gewerkt, waarom?

Slide 10 - Mind map

Voltijd en deeltijd werken


Voltijd is tussen 36 en 40 uur per week (CAO afhankelijk)


Deeltijd is minder dan 36 uur per week

Slide 11 - Slide

Werkgelegenheid berekenen
- In personen en arbeidsjaren

Stel:
- In een bedrijf werken 15 mensen fulltime (40 uur per week).
- Daarnaast zijn er 28 mensen die samen 560 uur werken.

-Bereken de werkgelegenheid in personen en arbeidsjaren.

Slide 12 - Slide

Werkgelegenheid berekenen
- In een bedrijf werken 15 mensen fulltime (40 uur per week).
- Daarnaast zijn er 28 mensen die samen 560 uur werken.
-Bereken de werkgelegenheid in personen en arbeidsjaren.

In personen: 15+28 = 43 personen
In arbeidsjaren: 15 mensen fulltime + (560/40=) 14 fulltime banen = 29 arbeidsjaren

Slide 13 - Slide

Werkgelegenheid: p/a-ratio
We kijken naar volledige banen in een land (heet ook wel een FTE of arbeidsjaar) en gebruiken we hier de p/a-ratio (personen/arbeidsjaren) voor.

Voorbeeld van net: 43 mensen nodig voor 29 arbeidsjaren.
43/29 = 1,5
De werkgelegenheid van 1,5 personen is hier gelijk aan 1 arbeidsjaar.


Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

1 arbeidsjaar is gelijk aan
A
2 deeltijdbanen
B
een fulltime baan
C
48 weken van 40 uur
D
een baan in een fabriek

Slide 16 - Quiz

Wat gebeurt er met de p/a-ratio als er veel deeltijd banen zijn zoals in Nederland ?

Slide 17 - Open question

Aan de slag!
- Maken verplichte opgaven: 1.3, 1.5, 1.6, 1.7, 1.8, 1.10
    - In stilte, overleggen mag
    - Vragen? > Lees de vraag nog een keer door > Fluisterend aan je buurman/vrouw vragen > Aan mij vragen
    - In je schrift
Klaar?
- Nakijken van de opgaven 
- Leerdoelen van de planner samenvatten
- Mindmap maken

Slide 18 - Slide

Werk & Werkloosheid H1






Les 2

Slide 19 - Slide

Lesdoelen H1
- Kiezen tussen werken en vrije tijd; welvaart;
- Het verschil tussen meten in arbeidsjaren en meten in personen;
- De p/a-ratio en hoe je die moet berekenen;
- De participatiegraad en hoe je die moet berekenen;
- Werken in deeltijd. Waarom gebeurt dit veel in Nederland?

Slide 20 - Slide

Bevolking en beroepsbevolking
Arbeidsparticipatie = arbeidsdeelname; het deel van de bevolking dat werkt en wil werken.<div>Formule: arbeidsparticipatie = Beroepsbevolking / niet beroepsbevolking</div>

Slide 21 - Slide

Niet actieven

Slide 22 - Slide

Beroepsbevolking
  • Dat is iedereen van 15 jaar tot de pensioenleeftijd die werkt of werk zoekt.


  • De beroepsbevolking bestaat uit de werkzame beroepsbevolking: alle werknemers en mensen die voor zichzelf werken

  • Werkloze beroepsbevolking: alle mensen die werk zoeken


Slide 23 - Slide

Werklozen
Beroepsbevolking
Beroepsbevolking:
Alle mensen tussen 15 en pensioenleeftijd die werken of werkloos zijn!
Werkzame beroepsbevolking:
Het werkzame deel van de beroepsbevolking (zelfstandigen en werknemers)

Slide 24 - Slide

Albert is 62. Sinds zijn werkgever vorig jaar failliet ging, is hij op zoek naar een nieuwe baan.
Daan is 36 en zorgt voor de kinderen en het huishouden. Zijn vriendin heeft een voltijdbaan.

Wie van hen is werkloos?
A
Geen van beiden
B
Alleen Albert
C
Alleen Daan
D
Albert en Daan

Slide 25 - Quiz

Participatiegraad
Hoeveel mensen van de potentiële bevolking (tussen de 15 en 67 jaar) horen bij de beroepsbevolking?

Slide 26 - Slide

Wanneer neemt de participatiegraad toe? (meerdere antwoorden goed)
A
Wanneer mensen meer deeltijd kunnen werken
B
Wanneer de pensioenleeftijd wordt verhoogd
C
Wanneer jongeren langer door studeren
D
Wanneer de pensioenleeftijd omlaag gaat

Slide 27 - Quiz

Noem twee voorbeelden van personen die in de niet-actieven groep behoren:

Slide 28 - Mind map

Wie horen WEL tot de beroepsbevolking?
A
schoolgaande jongeren
B
Werkende ouderen ouder dan 67
C
onvrijwillig werklozen
D
Migranten zonder verblijfsvergunning

Slide 29 - Quiz

Te lage participatiegraad een probleem?
Een lage participatiegraad geeft aan dat er in een land betrekkelijk veel mensen niet kunnen of willen werken.
Hoewel niet al die mensen een uitkering krijgen, is zoiets tóch een probleem.
De beroepsbevolking is dan kleiner dan nodig.
Een kleine beroepsbevolking leidt eerder tot een krappe arbeidsmarkt en daarmee tot relatief hoge loonkosten.
Bovendien is het voor bedrijven op een krappe arbeidsmarkt moeilijk om geschikt personeel te vinden.

Slide 30 - Slide

Aan de slag!
- Maken verplichte opgaven: 1.3, 1.5, 1.6, 1.7, 1.8, 1.10
    - In stilte, overleggen mag
    - Vragen? > Lees de vraag nog een keer door > Fluisterend aan je buurman/vrouw vragen > Aan mij vragen
    - In je schrift
Klaar?
- Nakijken van de opgaven 
- Leerdoelen van de planner samenvatten
- Mindmap maken

Slide 31 - Slide

Aan de slag!
- Maken verplichte opgaven:
1.3, 1.5, 1.6, 1.7, 1.8, 1.10

- Klaar? Nakijken
- Werken aan de zelftest H1

Slide 32 - Slide

TOT HIER

Slide 33 - Slide

Van een ruime naar een krappe arbeidsmarkt.

Ruime arbeidsmarkt
  • Aanbod van arbeid is groter dan de vraag. 
  • A>V
Krappe arbeidsmarkt
  • Vraag naar arbeid is groter dan het aanbod. 
  • V>A

Slide 34 - Slide

Krappe arbeidsmarkt
Ruime arbeidsmarkt

Slide 35 - Slide

Slide 36 - Slide

Slide 37 - Slide

Bij welke getallen combinatie is er sprake van meeliftersgedrag?
A
0;0
B
1;-2
C
-1;-1
D
Er is hier geen sprake van meeliftersgedrag

Slide 38 - Quiz

1 arbeidsjaar is gelijk aan
A
2 deeltijdbanen
B
een fulltime baan
C
48 weken van 40 uur
D
een baan in een fabriek

Slide 39 - Quiz

Albert is 62. Sinds zijn werkgever vorig jaar failliet ging, is hij op zoek naar een nieuwe baan.
Daan is 36 en zorgt voor de kinderen en het huishouden. Zijn vriendin heeft een voltijdbaan.

Wie van hen is werkloos?
A
Geen van beiden
B
Alleen Albert
C
Alleen Daan
D
Albert en Daan

Slide 40 - Quiz

Twee stellingen:
I) Meeliftersgedrag zorgt voor een hogere organisatiegraad bij een vakbond
II) Een CAO zorgt voor minder transactiekosten dan een individuele arbeidsovereenkomst
A
I) en II) zijn juist
B
I) en II) zijn onjuist
C
I) is juist, II) is onjuist
D
I) is onjuist, II) is juist

Slide 41 - Quiz

Wat doen vakbonden?
A
Komen op voor werkgevers
B
Komen op voor werknemers
C
Komen op voor werkgevers en werknemers

Slide 42 - Quiz

Uit welke uitkomst is te zien dat meeliftersgedrag mogelijk is?
A
4,4
B
-2,6
C
0,0
D
Er is geen meeliftersgedrag mogelijk.

Slide 43 - Quiz

Een meelifter (freerider) is
A
een partij die de dominante strategie bepaalt
B
iemand die het optimale evenwicht behaald
C
iemand die profiteert van andermans inspanningen
D
de dominante strategie

Slide 44 - Quiz

Om het gevangenendilemma op te lossen kan je zelfbinding gebruiken. Wat is zelfbinding?
A
Het belang van de lage prijzen
B
het is een wiskundige manier om keuzeproblemen op te lossen
C
dan maakt een bedrijf van tevoren bekend wat ze gaan doen bij een dilemma
D
Afspraken tussen twee partijen om de uitkomst zo positief te krijgen

Slide 45 - Quiz

Door collectieve dwang of zelfbinding kan een gevangenendilemma worden voorkomen.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 46 - Quiz

Er wordt een hek gebouwd in het dorp van Jan. De buren van Jan zijn hier heel blij mee en vinden de bouw van dit hek ook erg belangrijk. De buren van Jan betalen daarom ook voor dit hek. Jan betaalt niet. Hij denkt: als mijn buren al voor dit nieuwe hek gaan betalen, waarom zou ik dan ook nog gaan betalen? Dit is een typisch voorbeeld van meeliftersgedrag, maar hoe kan meeliftersgedrag voorkomen worden?

A
Als de buren van Jan, Jan dwingen om ook mee te betalen
B
Door belasting
C
Door gedwongen belastinginning door de overheid
D
Als Jan betaalt voor een andere nieuwe voorziening in het dorp

Slide 47 - Quiz

Waardoor kan meeliftersgedrag bij een vakbondslidmaatschap worden vermindert?

Slide 48 - Open question