§7.1 vorming, verandering en institutionalisering

Hoofdstuk 7: samenlevingsvormen
  • Je kent het kernconcept institutionalisering.
  • Je kunt de samenlevingsvorm van de jaren 20-60 met daarbij behorende kenmerken omschrijven.
  •  Je kunt de begrippen verzuiling en ontzuiling uitleggen.
  • Je oefent met de onderzoeksvaardigheden.
1 / 19
next
Slide 1: Slide
MaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

This lesson contains 19 slides, with text slides and 2 videos.

Items in this lesson

Hoofdstuk 7: samenlevingsvormen
  • Je kent het kernconcept institutionalisering.
  • Je kunt de samenlevingsvorm van de jaren 20-60 met daarbij behorende kenmerken omschrijven.
  •  Je kunt de begrippen verzuiling en ontzuiling uitleggen.
  • Je oefent met de onderzoeksvaardigheden.

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Wie wint de pen 
  • Schrijf het antwoord op op de vragen die ik stel.
  • Na 10 vragen kijken we van elkaar na.
  • Meeste vragen goed? Winnaar.
  • Gelijke score? Shoot out: wie zit het dichtst bij het goede antwoord?

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

  1. Wat is de derde barriere van het barrieremodel?
  2. Noem de drie eisen aan onderzoek.
  3. Wat zijn de vier hoofdconcepten?
  4. Wat betekent sociaal kapitaal?
  5. Noem twee waarden die de liberalen nastreven.
  6. Wat is een afhankelijke variabele?
  7. Geef een voorbeeld van informele sociale controle.
  8. Welke drie aspecten van identiteit zijn er?
  9. Wat is het verschil tussen kwantitatief en kwalitatief onderzoek?
  10. Noem twee functies van politieke partijen.

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Wat was het gemiddelde cijfer voor mijn klassen maatschappijwetenschapen bij het centraal schriftelijk eindexamen?

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Deze periode 
  • Terug in de tijd om de kernconcepten institutionalisering, democratisering, individualisering en rationalisering beter te begrijpen.

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Slide 6 - Video

This item has no instructions

Institutionalisering
Het proces waarbij een complex van waarden en min of meer geformaliseerde regels vastgelegd wordt in standaard gedragspatronen, die het gedrag van mensen en hun onderlinge relaties reguleren. 

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Wat zijn sociale instituties?

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Stappen die je moet zetten bij het toepassen van het kernconcept institutionalisering.
  • Omschrijf welke regels of waarden 
er zijn te herkennen in de bron. 
  • Omschrijf dat die regels invloed 
hebben op het gedrag van mensen.
  • Omschrijf op welke manier die
 regels invloed hebben op
 het gedrag van mensen.

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Toepassen
  • In twee-drietallen.
  • Leg uit dat je de invoering van toetsweken bij ons op school kunt zien als een voorbeeld van institutionalisering.
  • Schrijf jullie antwoord duidelijk op.

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Verzuiling
De samenleving was opgedeeld in drie (of vier) levensbeschouwelijke en sociaaleconomische groepen: 
Katholiek
Protestants
Socialistisch
(Liberaal)
Mensen bleven voornamelijk binnen ‘de eigen zuil’ en de cultuur was sterk collectivistisch.

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Slide 12 - Video

Benadruk dat er in dit filmpje andere zuilen worden benoemd dan in het lesboek, maar dat we bij Seneca socialistisch, protestants, katholiek (en liberaal) aanhouden.
Veranderingen in instituties (Na WOII)
In de wet veranderde onder andere het volgende:
1. De opbouw en de uitbreiding van de verzorgingsstaat
2. Wetswijziging in 1956: vrouwen werden niet langer als handelingsonbekwaam gezien.

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Gezinsleven ('20-'60)
Kostwinnersgezin en bevelshuishouding: er was sprake van een duidelijke rolverdeling tussen man en vrouw en een grote machtsafstand.

Het gezin kun je zien als een sociale institutie, omdat er regels zijn waardoor iedereen weet wat er van hem of haar verwacht wordt.

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

Het gezin voor de jaren 60
Er is sprake van ongelijke verdeling van macht. de machts- afstand is groot. 
1. Iedereen wist wat er van hem verwacht werd.
2. Vader zorgt voor het inkomen.
3. Moeder zorgt voor de kinderen en het huishouden.
4. Kinderen hielpen moeder mee.
5. Gehuwde vrouwen waren handelingsonbekwaam.

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Voor de volgende les!
  1. Schrijf 5 kenmerken op van een kostwinnergezin (paragraaf 7.1).
  2. Bedenk 3 indicatoren waarmee je meetbaar kan maken of iemand uit een kostwinnergezin komt (hoofdstuk 5).
  3. Je gaat een onderzoek uitvoeren naar de verschillen in generatie en soorten huishoudens, stel de hypothese op. 
  4. Vraag je ouders naar jouw indicatoren -> schrijf een korte conclusie en neem evt. een foto mee van het gezin van je ouders.
  5. Klaar met stap 3? Aan de slag met de tekstverkenners (blz. 35 werkboek).

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Conclusies van onderzoeken
  • In welke sector werkte moeder?
  • In hoeverre waren de kinderen
verantwoordelijk voor het huishouden?
  • In hoeverre deed je wat 
vader vroeg?

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Aan de slag met de weektaak
  • Tekstverkenners (blz. 35)
  •  Opdracht 4 (blz. 38)
  • + opdracht onderzoek naar kostwinnersgezin

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Vul aan..
In de jaren 20 was er sprake van 1)... waarbij er weinig contact was tussen bijvoorbeeld de katholieken en de 2)... 
Vrouwen en kinderen hadden in een gezin weinig te zeggen. Dat wordt ook wel het 3)... of het 4)... gezin genoemd. Dankzij de institutionalisering, wat het proces is waarbij een complex van 5)... en min of meer 6)... ... vastgelegd worden in 7)... ... kregen vrouwen meer vrijheid bijvoorbeeld door de invoering van het 8) ... kiesrecht. Wat inhoudt dat zij mochten gaan stemmen.

Slide 19 - Slide

This item has no instructions