Nakijken Fictie H1 (1) + uitleg beeldspraak (vergelijking)

- Nakijken Fictie H1 (1, 4 en 5)
- Uitleg beeldspraak (vergelijking)
1 / 12
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 3

This lesson contains 12 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

- Nakijken Fictie H1 (1, 4 en 5)
- Uitleg beeldspraak (vergelijking)

Slide 1 - Slide

Lesdoelen

Je kunt fictieteksten op de realismelijn plaatsen.


Je herkent de onderdelen van een opbouwschema voor verhalen.Je weet wat beeldspraak is en kunt de twee soorten vergelijking benoemen.



Slide 2 - Slide

Nakijken Fictie H1: 1 (blz. 14)

1 Alle voorkomende personages met relaties:

- Julian

- De ouders van Julian

- Gudrun (zus Julian)

- Herman (man Gudrun)

- Marthe en Florian (kinderen Gudrun en Herman)

- Heike (Julians vriendin)

- Paula (vriendin of zus van Heike)

- Rolf (vriend Julian)

Slide 3 - Slide

Nakijken Fictie H1: 1 (blz. 14)

5

- Alle mensen liepen dezelfde richting uit alsof ze door een reusachtige magneet aangetrokken werden.

- Ze kuste de frustratie uit mijn lijf. (regel 84)

- Mijn gedachten raasden alle kanten op. (regel 59)

- Ik voelde de kracht ook aan mijn lijf trekken. (regel 40-41)





Slide 4 - Slide

Nakijken Fictie H1: 1 (blz. 14)

8

a Zou je de rest van het boek willen lezen? Geef een reden.

b Motiveert de flaptekst je om het boek meer of minder te willen lezen?

Slide 5 - Slide

Nakijken opdr. 4 en 5
- Realismelijn
- Opbouwschema

Twee verhalen waarbij de klas raadt welk deel van de opbouwschema in het verhaal verwerkt is.

           : uitleg volgende dia

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Video

Waar denk je aan bij
beeldspraak?

Slide 8 - Mind map

Beeldspraak

Figuurlijk taalgebruik = alles wat niet letterlijk bedoeld wordt


De bomen fluisteren je naam.

Je kamer lijkt wel een zwijnenstal!

Hij liep naar school met lood in zijn schoenen.

Slide 9 - Slide

Bedenk zelf een voorbeeld van beeldspraak.

Slide 10 - Open question

Beeldspraak - vergelijking

Je vergelijkt de werkelijkheid met een beeld.


- Vergelijking met als (zoals, alsof)

- Vergelijking zonder als


Er is een overeenkomst tussen twee zaken.

Lachen als een boer die kiespijn heeft.

Je kamer lijkt wel een zwijnenstal!



Slide 11 - Slide

Huiswerk

- Fictie H1: 6

- Uitdelen De jongen op de berg -> 16 oktober 2020 -> volgende les uitdelen



Slide 12 - Slide