AV Foutloos Nederlands

Write space foutloos Nederlands en APA manual

Daniël Hetterscheid & Nada Tamaoui

1 / 23
next
Slide 1: Slide
New lesson editorPedagogische wetenschappenWOStudiejaar 1

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Write space foutloos Nederlands en APA manual

Daniël Hetterscheid & Nada Tamaoui

APA: Strategieën om jouw schrijfwerk te verbeteren

  • Lees andere artikelen van andere schrijvers.

  • Schrijf vanuit een outline.

  • Herlees jouw eigen werk op een later tijdstip.

  • Zoek help van collega's/vakgenoten.

  • Werk met redacteurs


Werkwoordstijden

Spelling van werkwoorden

  • Persoonsvorm in tegenwoordige tijd?

    • Ik: het hele werkwoord – en. (De stam)

    • Jij, hij, zij of het: Stam + t.

    • Meervoudsvorm: hele werkwoord.


  • Persoonsvorm in verleden tijd?

    • Eindigt de stam op een van de medeklinkers van 't Kofschip? Dan komt er –te achter.

    • Is dat niet het geval? Dan komt er –de achter

    • Let op sterke werkwoorden! Deze moet je uit het hoofd leren.


  • Laatste letter van een voltooid deelwoord?

    • Zelfde regels met 't Kofschip. Alleen een –t of –d.

    • Let op sterke werkwoorden!

Spelling van werkwoorden

  • Voltooid deelwoord?

    • Zelfde regels met 't Kofschip. Alleen een –t of –d.

    • Let op sterke werkwoorden!


  • Voltooid deelwoord gebruikt als bijvoeglijk naamwoord?

    • Zelfde regels met 't Kofschip. Alleen een –t of –d.


  • Tegenwoordig deelwoord?

    • Hele werkwoord + d


  • Bevelende wijs?

    • Ik-vorm


Daarbij zijn stijlmiddelen als overdrijven en bewust eenzijdig belichten geoorloof(.)

A

-t

B

-dt

C

-d

D

-den

2. Samenstellingen

  • Hoofdregel: schrijf alle werkwoorden aan elkaar!

  • Uitzonderingen:

    • Streepje bij: klinkerbotsing, afkortingen, speciale tekens, hoofdletters, combinaties van functies en beroepen, woordgroepen, uitzonderingen uit het Engels en na woorden als non-, ex- en adjunct-.


  • Geen streepje bij: samenstellingen die beginnen bij een eigennaam en (reguliere) samenstellingen uit het Engels.

Welke samenstelling is juist?

A

Energiebesparingsplicht

B

Energiebesparings-plicht

C

Energie-besparingsplicht

D

Energie-besparings-plicht

3. Hoofdletters

  • Je schrijft hoofdletters bij:

    • Het begin van een zin

    • Eigennamen

    • Internationale titels

    • Merken, organisaties, algemene aanduidingen en soortnamen

    • Historische gebeurtenissen en feestdagen

    • Aardrijkskundige namen

    • Apps en sociale media (volgens de schrijfwijzers van de makers)

    • Titels van geschriften, boeken, kranten en omroepen

    • Eerste letter van wetten. Afkortingen van wetten kunnen zowel volledig in hoofdletters of enkel de eerste letter.


4. Verwarwoorden

  • Als en dan:

    • Dan: In een vergelijking na een vergrotende trap. Na ander, andere of anders.

    • Als: In een vergelijking met net, net zo, niet zo, even en even zo.

  • Hen en hun:

    • Hen: Na een voorzetsel of als lijdend voorwerp.

    • Hun: Als meewerkend voorwerp.

  • Dat en wat:

    • Dat: Bij een verwijzing naar een zelfstandig naamwoord met het als lidwoord.

    • Wat: Na een onbepaald woord, na dat en datgene, na een (rang)telwoord.

  • Enkele(n), meeste(n), alle(n):

    • Met -n: Bij een verwijzing naar personen.

    • Zonder –n: Bij een verwijzing naar iets anders dan personen.

  • Mits en tenzij:

    • Mits: Als, op woorde dat.

    • Tenzij: Maar niet als, behalve als

Dit onderzoek kostte 300.000 euro, twee keer zo veel ….. begroot.

A

Als

B

Dan

5. Woordgeslacht

Onzijdig (het-woorden)

  • Verkleinwoorden

    • Landen, plaatsen, talen

    • Woorden op –isme, -ment, -um

Mannelijk (de-woorden)

  • De meeste de-woorden zijn mannelijk

Vrouwelijk

  • Woorden op: -de, -ing, -heid, -te, -ij

    • Beroepen als lerares, dieren als berin

    • Abstracte woorden, zoals angst, zorg, waarheid

    • Niet-Nederlandse achtervoegsels



De commissie verdedigt ... besluit

A

Haar

B

Zijn

6. Verwijswoorden

  • Met verwijswoorden verwijs je naar een woord dat je al eerder in je tekst hebt gebruikt

  • Antecedent: woord waarnaar je verwijst

  • Voorbeelden: hun, haar, met wie, daarover, enz.

  • Regels voor vewijswoorden:

    • Persoonsverwijzing: gebruik voorzetsel + wie (over wie)

    • Niet-persoonsverwijzing: gebruik waar + voorzetsel (waarover)

Het onderzoek, ... veel gediscussieerd werd, is afgerond

A

Met wie

B

Waarover

C

Met waarmee

D

Over wie

7. Congruentie

  • Hoofdregel: staat het onderwerp in het enkelvoud, dan de persoonsvorm ook. Is het onderwerp meervoud, dan is de persoonsvorm ook meervoud

  • Een aantal mensen + enkelvoud of meervoud?

    • Als je een aantal kunt vervangen door enkele of sommige -> dan zijn enkelvoud én meervoud goed

    • Gaat het om afzonderlijke zaken en geen groep -> dan meervoud

8. Problematische zinsconstructies

Onjuiste samentrekkingen

  • Samentrekken mag alleen als vorm, betekenis en grammaticale functie gelijk zijn


Tante Betjeconstructie

  • Onderwerp en persoonsvorm worden onterecht omgedraaid in de tweede hoofdzin


Tangconstructie

  • Woorden die bij elkaar horen, staan te ver uit elkaar


Hopper toont de isolatie van de personen en onthult hij een perfecte techniek.

A

Tantje Betje

B

Foutieve samentrekking

C

Tangconstructie

Hopper had zijn grootse kleurgebruik aan zijn grondige studie van de Franse schilderkunst en zijn jarenlange verblijf in Parijs en de Provence en reizen naar Florence te danken.

A

Tantje Betje

B

Foutieve samentrekking

C

Tangconstructie

D

Answer D

9. Interpunctie

De punt (.)

  • Plaats achter een volledige zin of een afkorting

  • Bij een afkorting aan het einde van de zin komt er geen extra punt


De komma (,)

  • Plaats een komma waar je een pauze wilt

  • Tussen twee werkwoordsvormen

  • In opsommingen

  • Voor voegwoorden

9. Interpunctie

De dubbele punt (:)

  • Gebruik voor een opsomming, citaat of toelichting


De puntkomma (;)

  • Verbindt nauw samenhangende zinnen

  • Gebruik in opsommingen met complexe delen

De resultaten waren verrassend ... ze gaven nieuwe inzichten

A

;

B

,

C

.