This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.
Lesson duration is: 120 min
Items in this lesson
gezinsbudget
Slide 1 - Slide
Inkomens van het gezin BUITEN werken.
Slide 2 - Open question
Inkomsten van het gezin
We hebben al gesproken over inkomsten van jezelf. Ook binnen je gezin zijn er verschillende manieren om aan je geld te komen. Welke verschillende manieren ken jij BUITEN werken.
Slide 3 - Slide
Slide 4 - Slide
Slide 5 - Video
Geef de juiste vorm van inkomsten:
VERHUUR VAN EEN HUIS
A
Inkomen uit arbeid
B
Inkomen uit bezittingen
C
Sociale vergoeding
D
Toevallige inkomsten
Slide 6 - Quiz
Geef de juiste vorm van inkomsten: Loodgieter Tim verdient 1590,00 euro per maand.
A
Inkomen uit arbeid
B
Inkomen uit bezittingen
C
Sociale vergoeding
D
Toevallige inkomsten
Slide 7 - Quiz
Geef de juiste vorm van inkomsten:
WERKLOOSHEIDSUITKERING
A
Inkomen uit arbeid
B
Inkomen uit bezittingen
C
Sociale vergoeding
D
Toevallige inkomsten
Slide 8 - Quiz
Geef de juiste vorm van inkomsten: GROEIPAKKET (geboortepremie, kinderbijslag, schooltoelage,...)
A
Inkomen uit arbeid
B
Inkomen uit bezittingen
C
Sociale vergoeding
D
Toevallige inkomsten
Slide 9 - Quiz
Geef de juiste vorm van inkomsten:
RENTE OP SPAARGELD
A
Inkomen uit arbeid
B
Inkomen uit bezittingen
C
Sociale vergoeding
D
Toevallige inkomsten
Slide 10 - Quiz
Geef de juiste vorm van inkomsten:
WIN FOR LIFE (kansspelen)
A
Inkomen uit arbeid
B
Inkomen uit bezittingen
C
Sociale vergoeding
D
Toevallige inkomsten
Slide 11 - Quiz
Geef de juiste vorm van inkomsten:
Pensioen
A
Inkomen uit arbeid
B
Inkomen uit bezittingen
C
Sociale vergoeding
D
Toevallige inkomsten
Slide 12 - Quiz
Geef de juiste vorm van inkomsten:
Ziekte -en invaliditeitsuitkering
A
Inkomen uit arbeid
B
Inkomen uit bezittingen
C
Sociale vergoeding
D
Toevallige inkomsten
Slide 13 - Quiz
Geef de juiste vorm van inkomsten:
maaltijdcheques
A
Inkomen uit arbeid
B
Inkomen uit bezittingen
C
Sociale vergoeding
D
Toevallige inkomsten
Slide 14 - Quiz
Welke uitgaven moet je als gezin doen. Som er minstens 6 op.
Slide 15 - Open question
Slide 16 - Slide
Zijn volgende uitgaven op korte of lange termijn? aankopen in de supermark
A
Korte termijn
B
Lange termijn
Slide 17 - Quiz
Zijn volgende uitgaven op korte of lange termijn? Tanken
A
Korte termijn
B
Lange termijn
Slide 18 - Quiz
Zijn volgende uitgaven op korte of lange termijn? jaarlijkse vakantie
A
Korte termijn
B
Lange termijn
Slide 19 - Quiz
Zijn volgende uitgaven op korte of lange termijn? Autolening op 5 jaar
A
Korte termijn
B
Lange termijn
Slide 20 - Quiz
Zijn volgende uitgaven op korte of lange termijn? GSM-Abonnement van 3 jaar bij aankoop van een nieuwe gsm
A
Korte termijn
B
Lange termijn
Slide 21 - Quiz
Zijn volgende uitgaven op korte of lange termijn? nutsvoorzieningen
A
Korte termijn
B
Lange termijn
Slide 22 - Quiz
Het gezinsbudget ontleden. Wanneer de inkomsten groter zijn dan de uitgaven...
A
is het budget in evenwicht.
B
is er een overschot en kan je sparen.
C
is er een tekort en heb je een schuld
Slide 23 - Quiz
Het gezinsbudget ontleden. Wanneer de uitgaven groter zijn dan de inkomsten...
A
is het budget in evenwicht.
B
is er een overschot en kan je sparen.
C
is er een tekort en heb je een schuld
Slide 24 - Quiz
Het gezinsbudget ontleden. inkomsten zijn gelijk aan de uitgaven
A
is het budget in evenwicht.
B
is er een overschot en kan je sparen.
C
is er een tekort en heb je een schuld
Slide 25 - Quiz
Wat kan je doen als je onvoldoende budget hebt om een grote aankoop te doen. Denk bijvoorbeeld aan een auto of huis.
Slide 26 - Open question
Slide 27 - Slide
Leg de samenhang uit van de verschillende onderdelen op de foto van de vorige slide.