Quiz



Welkom op de laatste taalles

 vandaag!
Bijna vakantie!!
1 / 32
next
Slide 1: Slide
NederlandsISK

This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson



Welkom op de laatste taalles

 vandaag!
Bijna vakantie!!

Slide 1 - Slide

Hoe gaat het met je?
😒🙁😐🙂😃

Slide 2 - Poll

Wat is de datum van vandaag?
A
15 juli
B
16 juli
C
17 juli
D
18 juli

Slide 3 - Quiz

Slide 4 - Slide

1. Welke dag komt na maandag?




A
A. zondag
B
B. dinsdag
C
C. vrijdag

Slide 5 - Quiz

2. Hoe laat is 12:00 uur?



A
A. twaalf uur

B
B. half twaalf
C
C. twee uur

Slide 6 - Quiz

3. Welke maand komt na januari?

A
A. maart

B
B. februari

C
C. december

Slide 7 - Quiz

4. Waar leer je Nederlands?



A
A. op school

B
B. in de supermarkt
C
C. bij de dokter

Slide 8 - Quiz

5. Maak de zin af:

Ik leer Nederlands omdat ik …



A

A. in Nederland woon
B
B. ziek ben
C
C. boos ben

Slide 9 - Quiz

6. Hoe vraag je iemands naam?

A
A. Waar woon jij?

B
B. Hoe heet jij?

C
C. Hoe laat is het?

Slide 10 - Quiz


7. Wat doe je met een cadeau?



A
A. geven


B
B. slapen
C
C. rijden

Slide 11 - Quiz

8. Wat betekent “pakken”?


A
A. nemen
B


B. maken
C
C. kopen

Slide 12 - Quiz

9. Welk woord hoort bij ziek zijn?


A

A. kapper
B

B. pijn
C

C. stoel
D

D. fiets

Slide 13 - Quiz

10. Als je ziek bent, ga je naar …



A
A. de huisarts

B
B. de bakker
C
C. de winkel

Slide 14 - Quiz

11. Waarmee ruik je?




A
A. ogen
B
B. neus
C
C. oren

Slide 15 - Quiz

12. Waarmee kijk je?



A
A. ogen
B
B. mond

C
C. handen

Slide 16 - Quiz

13. Wat zeg je bij de huisarts?
A
A. Ik heb pijn.
B
B. Ik koop brood.

C


C. Ik ga reizen.

Slide 17 - Quiz

14. Wie helpt jou bij ziekte?


A
A. de huisarts

B
B. de kassière

C
C. de chauffeur

Slide 18 - Quiz

15. Welke zin is goed?

A
A. Ik werk een stoel.
B
B. Ik werk een appel.
C

C. Ik werk bij een bedrijf.


Slide 19 - Quiz

16. Wat is vrijwilligerswerk?
A
A. Werk waarvoor je helpt zonder geld te krijgen.

B

B. Werk alleen in een fabriek.
C

C. Vakantie nemen.

Slide 20 - Quiz

17. Wat heb je nodig om werk te zoeken?

A
A. een tandenborstel

B

B. een cv
C

C. een fietsbel

Slide 21 - Quiz

19. Waar zoek je werk?




A
A. in bed
B
B. in de koelkast
C
C. op internet

Slide 22 - Quiz

20. Een aardige collega is iemand die …



A
A. boos is
B
B. helpt

C
C. nooit praat

Slide 23 - Quiz

21. Waar koop je brood?



A
A. bij de kapper
B
B. bij de huisarts

C
C. bij de bakker

Slide 24 - Quiz

22. Wat doe je in de supermarkt?



A
A. boodschappen doen
B
B. ziek worden
C
C. slapen

Slide 25 - Quiz

23. Wat is het tegenovergestelde van groot?




A
A. lang
B
B. klein
C
C. dik

Slide 26 - Quiz

24 Wat is het tegenovergestelde van koud?

A
A. donker
B
B. nat
C
C. warm

Slide 27 - Quiz

25. Waar koop je een kaartje voor de trein?



A
A. op het station

B
B. bij de huisarts
C
C. bij de bakker

Slide 28 - Quiz

26. Welke woorden horen bij reizen?


A
A. appel – kaas – melk

B
B. trein – bus – vliegtuig

C
C. oog – neus – mond

Slide 29 - Quiz

🎉 De quiz is klaar!

Nu gaan we kijken wie de meeste goede antwoorden heeft.

Wie wint? 🤔🏆

Slide 30 - Slide

We eten een stroopwafel.
Spelen een spel met vragen.
Zo praten we gezellig met elkaar.

Slide 31 - Slide

🌞 Fijne zomervakantie! 🌴

Geniet van de zomer!



Op 28 augustus beginnen de taallessen weer.

Tot dan! ☀️📚

Slide 32 - Slide